Fraai boek over poppioniers

15 september 2017

Hij verbaasde zich erover dat het er nog niet was. Dus schreef Tom Steenbergen het maar zelf:  een boek over de generatie die in de jaren zestig de basis legde voor het huidige Nederlandse muzieklandschap, met name over de mannen – vrouwen komen in het verhaal nagenoeg niet voor - die daarbij een hoofdrol speelden.

De geportretteerden in Poppioniers selecteerde Steenbergen aan de hand van een aantal criteria. Zo moesten ze zijn geboren tussen 1939 en 1949, zelfstandig ondernemer zijn en aan de wieg hebben gestaan van de live-scene, van popfestivals en poppodia dus.  

Veronica

Wat betreft dat laatste vormt Willem van Kooten een uitzondering. Volgens de auteur mocht hij wegens zijn pionierswerk bij Radio Veronica en inzet voor de Nederpop toch niet ontbreken.  Met hem begint het boek dat is opgedeeld in zeven hoofdstukken. Elk behandelt een jaar uit de ‘onstuimige periode’ 1964-1970.

Het aanvangsjaar is niet willekeurig gekozen want, stelt Steenbergen, 1964 is het jaar dat in Nederland de jaren zestig pas echt begonnen. Vooral door het in volle hevigheid losbarsten van de rage rond The Beatles. Die groep deed in juni 1964 Nederland aan voor een televisie-interview, een  rondvaart door de Amsterdamse grachten en live-optredens in Blokker, een aantal maanden daarna gevolgd door The Rolling Stones met een geruchtmakend optreden in het Kurhaus in Scheveningen.

Acket

De man die dat optreden organiseerde, Paul Acket, voldoet ook niet geheel aan de criteria die de schrijver zichzelf heeft opgelegd. Die noemt hem ‘een van de markantste muziekmensen’ van de vorige eeuw en vooral daarom komt ‘de eerste echte impresario van Nederland’ aan het woord via zijn weduwe Jos. Zij schetst een beeld van een gedreven muziekliefhebber die niet alleen een vooraanstaande rol als concertorganisator speelde, maar met zijn blad Muziek Expres ook een belangrijk stempel drukte op de Nederlandse muziekcultuur. Bovendien ontwikkelde Den Haag zich mede dankzij Acket  tot dé beatstad. 

Wie daarbij een nog grotere rol speelde was Jacques Senf. Als manager van The Golden Earrings en organisator van tal van festivals en optredens groeide hij uit tot de ongekroonde beatkoning van de hofstad. Eind jaren zestig hield ‘de eerste beatondernemer van Nederland’ de popmuziek voor gezien (‘Het waren vooral de drugs die mij zorgen baarden’) om zich toe te leggen op theateractiviteiten.      

Paradiso

Gaandeweg het decennium was het muzikale klimaat onder invloed van de ontwikkelingen in Engeland en Amerika dan ook ingrijpend veranderd. Aan de hand van een sleutelfiguur als Willem de Ridder, de grote man achter ‘hét blad voor de hippe jeugd’ Hitweek, behandelt  het boek de opkomst van de underground en het ontstaan van de Provadya?-beweging.  Daaruit kwamen onder meer in Amsterdam Paradiso en Fantasio voort, in Rotterdam Eksit en in 1968 in Lochem het eerste Nederlandse openluchtfestival . 

Lowlands

Daarvoor al had de Jaarbeurs in Utrecht met The Flight to Lowlands Paradise de primeur gehad van het eerste indoor popfestival.  Het lukte Steenbergen  in contact te komen met Bunk Bessels, de enigszins in de vergetelheid geraakte drijvende kracht achter genoemd ‘magies gebeuren’.  Zo wordt duidelijk dat, waar andere gemeentes nogal eens moeite hadden met de nieuwe tijd en zijn opstandige generatie, Utrecht de festivalorganisatie van harte ondersteunde.  Totdat de tweede editie uitliep op een fiasco en de stekker er uit ging. In 1993 zou in de polder bij Biddinghuizen een geactualiseerde versie van ‘Lowlands’ van start gaan.

Pinkpop

Navolging kregen die eerste festivals onder meer in Zuid-Limburg in de vorm van het nog altijd bestaande Pinkpop, met organisator Jan Smeets als boegbeeld, en, in datzelfde jaar 1970, in Rotterdam met het Holland Pop Festival , beter bekend als ‘Kralingen’.  Voor de auteur, die er zelf als medewerker bij betrokken was, vormt dat festival het laatste hoogtepunt van de jaren zestig: ‘De hippiedroom kreeg met Kralingen zijn apotheose.’  

Mojo

Ondanks een financieel echec betekende Kralingen ook zo ongeveer de start van Mojo Concerts, inmiddels de grootste en succesvolste aanbieder van popfestivals en popconcerten in Nederland.  Vooral door zijn streven om het publiek met grensverleggende evenementen een ‘totaalervaring’ te bieden is oprichter en voormalig directeur Berry Visser misschien wel de meest kleurrijke poppionier die in het boek aan het woord komt. Zijn latere compagnon Leon Ramakers, die volgens Steenbergen nog altijd geldt als de invloedrijkste man in de Nederlandse muziekwereld, lijkt daarentegen uit iets ander hout gesneden en hanteert ‘door ervaring wijs geworden’ inmiddels het adagium nooit verder te springen dan zijn polsstok lang is.    

Dat roept de vraag op wat het werk van de, zoals ze in het boek staan omschreven, ‘gedreven en gepassioneerde pioniers van toen die hun studie opgaven om een jongerencentrum op te zetten of een festival of een concert te organiseren’ heeft opgeleverd.

Honderden podia en festivals, met een inmiddels professionele industrie die werk biedt aan duizenden, schrijft Steenbergen. (Zelf zou hij daarin ook carrière maken, onder meer als programmeur, bandmanager en directeur van een platenmaatschappij). Het avontuur van toen transformeerde dus tot een bedrijfsmatige aanpak. Onderweg raakte niettemin veel van de oorspronkelijke bevlogenheid kwijt. Want het anderhalf A4’tje waarop Cor Schlösser zijn eerste beleidsplan voor de Amsterdamse Melkweg schreef, heeft in de livemuzieksector inmiddels plaatsgemaakt voor uitgebreide exploitatiebegrotingen, doelgroeponderzoeken, bezoekersprognoses, businessplannen, subsidie-aanvragen en wat dies meer zij.

Wie zich een  beeld wil vormen van hoe het er in die onstuimige beginjaren aan toeging, heeft aan het van veel uniek foto- en  illustratiemateriaal voorziene Poppioniers een fraai document.    

Poppioniers door Tom Steenbergen is verschenen bij Karakter Uitgevers.