'Purple Rain': terug in de tijd

27 juni 2017

1984. Een jaar met een mythische klank. Verleden, heden en toekomst pakten zich in een orwelliaans schrikbeeld als onweerswolken samen. De koude oorlog werd vurig gevoerd met een vijand achter een ijzeren gordijn. 1984, een jaar waarin de eeuwenlang opgebouwde civilisatie met één druk op de knop kon worden weggevaagd. Als de bom valt, vertolkte Doe Maar toepasselijk de tijdgeest. Fatalisme regeerde. Er heerste een regime van het hier en nu. Vandaag moesten we leven alsof het onze laatste dag was. No future! Ik was veertien.

Mijn adolescente brein werd in 1984 in weerwil van het destructieve tijdsgewricht in beslag genomen door iets concreets: Angelique. Blond haar, groene ogen en voor haar leeftijd gigantische borsten. Zij had weet van een wereld waar ik geen weet van had. Ooit scheen zij een sigaret te hebben gerookt. Had een jongen gekust en ging al stappen. Ik droomde, Angelique handelde. Ik begon net schoorvoetend afscheid te nemen van mijn cowboy outfit met holster en revolver, toen Angelique haar maagdelijkheid verloor aan Sjeng Walraven. Terwijl ik mijn kinderlijkheid langzaam van me afwierp, werkte Angelique een heel leger aan oudejaarsjongens af en rookte daar na afloop een stevige sigaret bij.

Die jaren zullen voor mij altijd doordrenkt blijven met het geluid van Purple Rain. Prince was mijn koning in die dagen. Purple Rain klonk al vanaf het eerste openingsakkoord als een vakkundig uitgesteld orgasme, beloftevol wachtend op zijn heftige hoogtepunt. En dat gebeurde ook. Tenminste bij Angelique, die na Sjeng Walraven de smaak pas echt goed te pakken had gekregen. En ik, ik droomde dat ik - doornat van de paarskleurige regenbui - voor haar deur stond en dat zij me binnen liet, me afdroogde en meenam naar het grootste mysterie van een puber: haar lila-paarse meisjeskamer.

Maar ik stond nooit voor haar deur. Op school, als ik haar op de gang passeerde, wendde ik mijn blik af om grip te houden op mijn verlegenheid. Thuis zette ik dan weer de naald van mijn broers pick-up in de groeven van Purple Rain en zwolg verder in de heerlijke melancholie en vooral die weergaloze gitaarsolo. Keer op keer lag Angelique al luisterend in mijn aarzelende armen. Ze droogde me af en keek me met haar smaragdgroene ogen verlangend aan. Maar ook masturbatie gaat hand over hand vervelen. Er kwamen andere nummers en artiesten die om aandacht vroegen. En andere vrouwen, niet te vergeten. Angelique verdween als een gedroomde schim uit mijn leven.

Na de Purple Rain-fase bleef het nog een paar jaar bewolkt in liefdesland. The big disease with the little name: AIDS! De voorlichtingscampagnes, die werden opgezet om besmetting te voorkomen, hadden succes. Mijn gulp bleef vaker dicht dan me lief was. Vanwege een paar geconstateerde gevallen van de ziekte van Pfeiffer was het qua serieus kuswerk in die tijd ook zwaar behelpen. Ik herinner me nog dat ik met Sylvia, mijn mislukte kopie van Angelique, naar de uitzending van Live Aid keek en per ongeluk aan haar glas limonade nipte en me vrijwel onmiddellijk afvroeg of ik hier herpes dan wel de ziekte van Pfeiffer aan overhield. Op het geopolitieke gebied was het gevaar van de atoombom inmiddels geweken, maar op het dampend amoureuze vlak heerste een welhaast alomtegenwoordige angst voor overdraagbare ziektes. Wat het nog verrekte lastig maakte om een heerlijk promiscue vrouw à la Angelique te vinden, dacht ik.

Ik had me vergist. De jaren tachtig ben ik buiten een opgelopen schimmelinfectie in de schaamstreek - burgerlijk veroorzaakt door slecht afdrogen na zwembadbezoek - zonder kleerscheuren doorgekomen. Ook ik boekte na Sylvia een paar bescheiden successen in het in de steek laten van vriendinnen en in het onverstandige maar o zo heerlijke onbeschermde liefdesspel. De frustratie van onbereikbare liefdes werd kleiner. Maar ook de dagdromen over verregende relaties als in Purple Rain werden gesmoord in toegenomen realiteitszin.

Dertig jaar na het uitkomen van Purple Rain loop ik Angelique tegen het lijf. Ze is inmiddels moeder. Haar groene ogen zijn gebleven. Dertig jaar verder en samen een veertigtal kilo's zwaarder spreek ik haar. Na diverse verliefdheden en relaties volgden een huwelijk, twee kinderen en een scheiding. Mijn wilde ontembare vrouw was weggedoken in een saai en onvervuld burgerbestaan. Ze had me altijd een merkwaardige jongen gevonden, vertelt ze. Een dromer. Iemand van wie je niet wist of je er iets mee kon aanvangen. Anders dan de rest, dat ook. “Ik had eigenlijk wel een oogje op je, maar je keurde me geen blik waardig. Ik vond je arrogant.” We drinken een kop koffie. Buiten regent het. We nemen afscheid en ik besluit me kletsnat te laten regenen. Honey, I know, I know times are changing, zingt Prince in mijn hoofd. I only want to see you laughing in the purple rain.