Roots of Heaven: testosteron en troubadours

15 februari 2017

We moesten er tien jaar op wachten, maar afgelopen zondag was er dan eindelijk weer een Roots of Heaven festival. Geïnitieerd door het Haarlemse poppodium Patronaat en popmagazine Heaven was deze editie er eentje van verrassende keuzes, bijzondere momenten en lekkere broodjes pulled pork.

Nathan Bell, de sympathieke singer-songwriter uit Tennessee, opende het festival. Met zijn verhalende liedjes over de working class, de Amerikaanse droom en de politiek nam hij het publiek voor zich in. Hier stond een man die het leven kende, die wist wat hard werken en weinig verdienen betekende, maar die toch met hart en ziel deed wat hij moest doen. Muziek maken. Zijn nummers waren mooi in al hun eenvoud, zonder opsmuk en vals sentiment. Een uur was wel wat lang, daar was Bell's repertoire met gitaar en mondharmonica net niet gevarieerd genoeg voor.

De overgang van Bell naar Henk & Melle was groot. Melle de Boer (Smutfish) speelde op een piepklein, laag traporgeltje, terwijl Henk Koorn (Hallo Venray) met zijn slungelige lijf en gitaar steeds dubbel gebogen stond om bij de bijbehorende 1 meter hoge microfoon te komen. Voor degenen die hen niet kenden was de kennismaking wat vervreemdend. Moesten we dit serieus nemen of was hier sprake van een goeie grap? In ieder geval was de muziek niet te vangen in een specifiek woord of genre. Hier en daar wat avant-gardistisch, met gekke wendingen en abrupte eindes. Een curieus, vooral verrassend optreden.

Daniel Meade & Lloyd Reid uit Schotland speelden een vrolijke set van country, honky tonk, rockabilly en ragtime. Reid was virtuoos op zijn gitaar terwijl Meade tussen de liedjes door, met vet Schots accent, geestige anekdotes vertelde en daarmee de lachers op zijn hand kreeg. Niet wereldschokkend, maar heerlijk ongecompliceerd en opwekkend.

Ingetogener was The Watchman. Op het kleine podium speelden Ad van Meurs en zijn band, onder wie partner Ankie Keultjes en zoon Dylan, prachtige luisterliedjes van onder meer het laatste album Dorset Moon. Mooie samenzang en delicate teksten. De uitschieter was het wonderschone Youngsters In Love. Van Meurs noemde zichzelf een ouwehoer en we moesten hem zeker tot de orde roepen als hij doordraafde, waarschuwde hij. Nodig was het niet, naar sommige ouwehoeren luister je nou eenmaal graag.

Nog zo’n innemende persoonlijkheid is Tim Knol. Hij blijft één van de meest getalenteerde singer-songwriters van Nederland. Zoals hij juweeltjes als Deepest Of Oceans uit zijn hoge hoed toverde alsof het niets was, bleef fascinerend om mee te maken. Hij vertelde dat hij druk is met het opnemen van zijn nieuwe plaat en met het veroveren van België. Dat laatste is niet bepaald gemakkelijk, maar hij hoopt voet aan de grond te krijgen nu hij het voorprogramma verzorgt van Bent Van Looy. De zaal gunde het hem overduidelijk, zeker toen hij ook nog eens het meest bijzondere moment van de dag veroorzaakte door een vriend uit te nodigen op het podium. Dat bleek Kevn Kinney van Drivin’ N' Cryin’ te zijn. Samen zongen ze diens Straight To Hell. Een fijne meezinger en een perfecte afsluiter van een overtuigend optreden.

“We stinken waarschijnlijk wel een beetje”, zei gitarist/zangeres Haley Cole van The Black Lillies. Net uit het vliegtuig gaven ze hun eerste en enige optreden in Nederland. Wat een aangename verrassing was deze band. Geen gladde country, maar een opwindende mix van folk, rootsrock, soul en country. Voorman Cruz Contreras zong zich soepel door de afwisselende set heen. De chemie tussen hem en nieuwkomer Cole was duidelijk zichtbaar. Zouden ze…? De afsluiter Never Tear Us Apart van INXS was op het eerste gehoor een wat merkwaardige keuze. Gezongen door de lodderig uit de ogen kijkende bassist Sam Quinn was het niet echt passend, maar bracht het wel een hoop jeugdsentiment naar boven. The Black Lillies is een aangename band die het festival een feestelijk tintje gaf.

Luke Winslow-King zette met zijn gelikte uitstraling menigeen op het verkeerde been. Wie gladde romantiek verwachtte kwam bedrogen uit. Hij speelde pure testosteronblues. Ruiger dan op zijn laatste album I’m Glad Trouble Don’t Last Always waarop hij zompige delta blues combineert met traditionele country en ouderwetse rock 'n' roll, maar dat ook wat gepolijst klinkt. Een opwindende show met muzikale vechtpartijtjes tussen Winslow-King en gitarist Roberto Luti. Echte mannen onder elkaar.

Tot zover was Roots of Heaven een geslaagd festival en Winslow-King had een waardige afsluiter kunnen zijn. Toch stonden er nog twee muzikanten op het programma. De eerste was de rustige Zeeuwse troubadour Broeder Dieleman, die zijn folkliedjes zong in het Zeeuws-Vlaamse dialect. Bijzonder maar het tijdstip in het programma was ronduit onhandig. Het door de blues opgezweepte publiek had niet per se zin meer in luistermuziek en het was dan ook onrustig in de kleine zaal. Jammer, want het deed Dieleman geen recht.

Als afsluiter van de avond was gekozen voor James McMurtry en zijn band. Zonder twijfel een groep topmuzikanten bij elkaar. Hun stevige bluesrock wist echter nergens te overtuigen. Na een nummer of vijf werd het zelfs echt saai. Helaas was dat te merken aan het publiek. Steeds meer mensen vertrokken, waardoor er uiteindelijk zo’n dertig trouwe fans overbleven. Rot voor McMurtry en zonde voor het festival. Het ging daarmee een beetje als een nachtkaars uit, terwijl het spetterende van eerder die avond juist in de staart had moeten zitten.

Foto: Tim Knol en Kevn Kinney door Han Ernest