What Sings Inside The Soul Of Such A Man?

18 maart 2018

Michael de Jong speelde op 6 oktober 2006 in het Arsenaal Theater in Vlissingen. Hij overleed op 10 maart 2018. Een persoonlijke ode aan een bijzondere bluesman.

Niemand heeft de deur gehoord. Hij verschijnt uit het donker achter op het podium. Zijn schouders licht gebogen alsof hij een last draagt loopt hij naar de lege stoel en de gitaren. Eigenlijk is het geen last. Het is niet zwaar. Het drukt.

Eerder die middag had hij gegeten. Met de geluidsman. Het café was vol. Gezinnen die hun zondagse gebakje tot zich nemen zijn niet altijd bescheiden. Maar lawaai ontbrak. De vermoeidheid van de reis speelde hem parten. Van Groningen naar Vlissingen. In de auto was hij in slaap gevallen. Geen slaap. Meer een rusteloze rust. Af en toe viel zijn hoofd tegen het raam van de auto en schrok hij op. Maar nooit werd hij echt wakker. Zij was er. Die avond. Die ochtend. Ze liep weg. Hij lag op een bank in het park. De hoeven van het paard klonken vervaarlijk dichtbij. Het was koud. Zijn oude jas tochtte. Hij wilde opstaan. Voordat de hoeven. Hij hoorde haar roepen. Michael. Hier! Wilde hij terugroepen. Maar zijn stem was weg. Even voor Goes was hij opgeschrikt door de claxon. Die vent is gek had de chauffeur gezegd. Hij had om zich heen gekeken. Een lange snelweg. Donkere luchten met jagende wolken. Gevraagd of het nog ver was. Nog vijftig kilometer. Hij voelde zich moe.

Toen de omelet werd geserveerd klonken er verre klanken. Als speldenprikken zetten ze zich in zijn hoofd. Doedelzakken. Op zondag. Dreigend kwam het geluid naderbij. De deur van het café ging open. Blazende mannen marcheerden langs de tafeltjes. De gezinnen lachten. Kinderen schreeuwden vrolijk. Hij wilde weglopen. Zuchtte tenslotte en at zijn omelet. Pas toen hij een uur voor de aanvang van het concert langs het water liep voelde hij zich wat opgewekter. Toch bleef de schaduw. De wind zwiepte de golven op. In de verte voeren schepen. Kleine loodsbootjes dansten het kleine haventje in en uit. Was zij er maar.

Hij gaat zitten. Zijn ogen glijden langs de gitaren. Even schuilt er een aarzeling in zijn ogen. In zijn bewegende hand. Deze dan. De gitaar voelt bekend. En vreemd. Wanneer hij zijn stem hoort, weet hij. Afwezigheid. De liedjes volgen hem. Ze zijn hem trouw. Maar ze spreken voor zich. Niet voor hem. Af en toe glijdt zijn hand over de gitaarhals zonder wat te zeggen. Hij kijkt in het halfdonker van de zaal. De kleine zaal. Ze is voor een kwart gevuld. Ouderen. Bijna net zo oud als hij. Sommigen. Stil kijken ze. Dit is de laatste voor de pauze zegt hij. Bij de geluidsman staan mijn cd’s. Mijn laatste niet. Gisteren kochten ze die allemaal. Pauze.

Hij drinkt een kop koffie. Iemand van het theater vertelt hem dat de liedjes mooi zijn. Zo doorleefd. Hij knikt afwezig. Mooi? Misschien. Waar is zij? Ook als ze er niet is moet ze er zijn. Anders is het zingen zonder zin. Hij weet het. Maar ze is wispelturig. Eigenzinnig. Dat maakt haar zo geliefd. De man van zojuist gebaart dat het tijd is. Hij zucht. Ergens in zijn binnenste hoort hij een stem. Heel zacht. Kom je?

Weer die gebogen schouders. En de schaduw. Hij speelt wat beter. Maar nog steeds is hij alleen. Hij heeft verteld van de taxi. Mag ik een cd draaien had hij de chauffeur gevraagd. Natuurlijk had de man gezegd. In de drukke straten van Londen hoorde hij zijn stem door de speakers. Zijn hart balde zich tot een vuist die in zijn borst beukte. Door een mist van tranen zag het de gebouwen. De straten. De mensen. Dankbaarheid doorstroomde hem en de vuist ontspande zich. Voor haar. Altijd. Voor haar alleen. Natuurlijk. De contracten. De contacten. De verplichtingen. Maar hier? Dit? De ziel in dit alles? Zij. Zo alleen leeft hij. Alles. Altijd alles. Vaak ook niets, dat is waar. Maar de prijs dient te worden betaald. Hoe dan ook. Dan, midden in een liedje, is ze er opeens. Als een glimlach in een volle straat. Hij kijkt de zaal in. Ze weten het, al zien ze haar niet. Hij vertelt verder. De Bijbel van zijn vader. Zijn Bijbel. Dezelfde dingen onderstreept. Hij schudt het hoofd. Bijna beschaamd. Even wandelt wantrouwen door zijn hoofd. Bang van grote woorden verontschuldigt hij zich. Maar toch. De Hij of Zij boven. Het onbegrijpelijke nog onbegrijpelijker en daardoor juist te dragen. Zo ziet hij dat. Groter dan wij. In ieder geval. Hij speelt. Liedje na liedje. Verhaalt van de dingen. Het zwerven. Het zoeken. Hij wijst op Vincent van Gogh. Zoveel schilderen. Je ziel uit de doeken doen. En nooit één schilderij verkopen! Hij huivert. Bijna was ook zijn stem verloren gegaan. Nu zingt ze door hem heen als nooit tevoren. Ze verheft hem. Genade denkt hij. Wat een  woord! Maar nooit zal hij dat zeggen. Nooit. Het is te groot. En ze zullen het niet begrijpen. Het is verwaarloosd en verwoord. Genade. Weer huivert hij. Als vanzelf speelt hij het laatste liedje. Omdat het moet. Omdat het einde onafwendbaar komt. Hij zet de gitaar weg. Met weemoed. Zoals altijd wanneer zij meespeelt.

Weer die licht gebogen tred. Zijn arm heft hij omhoog. Als groet. Zo loopt hij het donker in. Als altijd. Michael de Jong.

Michael de Jong: 22 januari 1945 – 10 maart 2018.