Afscheid van Paradiso

3 juli 2014

Zijn halve leven werkte hij als programmeur bij de hoofdstedelijke poptempel Paradiso, dinsdagavond nam hij er een jaar na zijn pensioengerechtigde leeftijd afscheid: Jan Willem Sligting, onbetwist een van de kundigste én aardigste mensen in het vaderlandse muziekwereldje. Tijdens een laatste avondmaal in de grote zaal werd hij te midden van familie, collega’s, vrienden en relaties uitgeluid, waarbij hem vooral eer werd bewezen in een superieure speech van Willem Venema, de bij leven en welzijn al legendarische concertpromotor. Tussen de bedrijven door stond Sligting trouwens ook zelf geregeld op het podium als bassist en accordenist van Barrelhouse, die twee jaar geleden als eerste band werd opgenomen in de Dutch Blues Hall Of Fame. Heaven vroeg hem toen om in de onvolprezen rubriek De Gebroken Lans een pleidooi te houden voor iets wat volgens hem in de muziek een grotere waardering verdient.

De ideale oefenplek

Met mijn lans, gescherpt in vele praktijkjaren, trek ik ten strijde ten bate van de muziekcafés, mede geïnspireerd door de kleinere podia op Eurosonic in Groningen. Hoewel: ook daar neemt de techniek op het podium toe. Had Tom Waits bij zijn eerste optredens naast de piano een benzinepomp staan, bij haar eerste optreden in Groningen wist Lianne La Havas zich gedekt door vier staande trussen, terwijl haar toetsenist in de rug werd geblazen door een dolgedraaide rookmachine.

Het muziekcafé waar je kunt spelen met de bar binnen handbereik. De kleedkamer, als die er al is, die je alleen kunt bereiken door de zaal. Vóór het optreden moet je, om op het podium te geraken, tussen de mensen door die met de rug naar je toe staan, de blik gericht op dat podium. Alleen als je ze op de schouder tikt, stappen ze enigszins onwillig opzij. Maar hoe fijn is het na een optreden het podium af te stappen en tussen de mensen door in de kleedkamer te belanden of bij de bar. Schouderklopjes zijn je deel, een biertje wordt aangereikt.

Ik voel weerstand, u wilt het afdoen als romantisch en achterhaald. Smijt het in een hoek. Ik gris uit een andere hoek een wellicht scherpere lans. Waar probeer je je nieuwe nummers uit? Waar speel je met nieuwe muzikanten? Waar doe je podiumervaring op? Waar leer je de aandacht van het publiek te vangen en vast te houden? Het muziekcafé is het ideale stadium tussen straatmuzikant en concert.

Soms praat het publiek hinderlijk veel. Wie wel wil luisteren ergert zich, de artiest ergert zich – reden genoeg om te kijken of er iets aan valt te doen. Er zijn manieren om stilte op te leggen. Stoeltjes in de zaal, bar dicht, zaallicht helemaal uit ‒ het blijkt vaak niet of nauwelijks te werken. Er zijn echter concerten, ook in zalen als Paradiso, waarbij er wel volledige aandacht van het publiek is. Opvallend is dat als het helemaal stil wordt, het uit zenuwen de kop opstekende gekuch, gekend van klassieke concerten, achterwege blijft: dit is de mooiste stilte, afgedwongen door de artiest.

Waar ervaar je aan den lijve hoe het is zonder hulpmiddelen de aandacht te vangen en vast te houden beter dan op in een muziekcafé? We weten ons in goed gezelschap. Een kleine greep: Macy Gray stond jaren in jazzclubs en hotelbars, Damien Rice is nadat hij uit Juniper was gestapt in Toscane liedjes gaan schrijven en op straat gaan spelen, Jeff Buckley speelde veel solo op de maandagavond in een club in Memphis in de tijd dat hij de nummers voor My Sweetheart The Drunk schreef.

Bij een andere gelegenheid breek ik een derde lans voor de cafésluitingstijden in Groningen, die eind jaren zeventig en begin jaren tachtig met de bierpomp als inzet een vitale livescene hebben gekweekt. Een café mocht open blijven zolang er op het podium een band stond.