Arnold Veeman en de magie van het polderchanson

3 juni 2016

Bij alle verbindingen die genres zijn aangegaan, is het vreemd te moeten constateren dat het Nederlands laagland en het Franse joie de vivre elkaar nooit hebben omhelsd. Maar als het dan gebeurt, blijkt het ook een prachtige combinatie. Althans in de handen van Arnold Veeman. Een Groninger met Surinaams bloed die jarenlang zijn eigen weg is gegaan en al pionierend de grondlegger is geworden van een genre dat nog het beste te omschrijven is als het polderchanson. 

Hogeland

Het Hogeland in de kop van Groningen. Volgens Rik Zaal, schrijver van Heel Nederland, het bijna 1300 pagina’s omvattende standaardwerk over toeristisch Nederland, de mooiste en meest interessante streek die hij kent. Land van verstilde dorpjes, middeleeuwse kerkjes, weidse vergezichten en indrukwekkende wolkenpartijen. Land dat zoveel mensen in creatieve beroepen herbergt dat de kunstenaarsdichtheid groter is dan in Amsterdam. Land waar talent in alle rust kan rijpen. Land ook waar bescheidenheid nog regeert. Eerst presteren en er dan pas mee tevoorschijn komen. Of er niet mee tevoorschijn komen.

Dit is het werkterrein van zanger en componist Arnold Veeman. Samen met zijn vriendin, kunstenares Maria Madelon van Velthoven, woont hij in een voormalige basisschool. Binnen valt het oog al snel op een lange gang met aan weerszijden de binagrammen, op taalkundige principes gebaseerde kleurige schilderijen, van Maria Madelon. In het midden daarvan een uithoek waar de instrumenten van Veeman staan opgesteld. Een van de klaslokalen dient als huiskamer en ontvangstruimte. Lichte galm en hoog plafond. De schoolbanken zijn vervangen door een grote tafel van donkerbruin hout maar nog is de ruimte aangenaam leeg. Achter het grasveldje voor het schoolgebouw schuift af en toe onhoorbaar een voetganger voorbij. Met het prachtige Groningse landschap bijna in hun achtertuin is dit voor beiden een inspirerende werkomgeving. Aandacht voor het schilderen, aandacht voor de muziek. Aandacht voor het ambacht.     

Jeugd

Amper drie jaar oud werd Arnold Veeman weggehaald bij zijn pleegouders en toegewezen aan zijn moeder en haar nieuwe vriend. Van Pieterzijl op het platteland van Groningen naar Delft. Van een stabiele gezinssituatie naar een instabiele. Een ervaring die hem ook nu nog, zo’n veertig jaar later, heel goed bijstaat, die hem blijvend heeft beïnvloed. Een ervaring die ervoor zorgde dat hij zich al op jonge leeftijd bewust werd van zijn zintuigen. En hoe dierbaar is dan de herinnering aan het veilige begin van zijn leven: “Ik ben gefascineerd door geluiden uit de natuur om me heen. Geluiden opgebouwd uit verschillende geluiden. Het geluid van een krakende veer van een deur in een schuur kan onmogelijk worden gereproduceerd worden door één instrument. Voor één geluid kan wel een heel orkest nodig zijn.” Veeman is een observator, iemand die de wereld in zich opneemt en daar op een gegeven moment verslag van uitbrengt.      

Twee-eenheid

Toen hij zo’n vijftien jaar geleden de film De Poolse Bruid zag, realiseerde Arnold Veeman zich dat hij “die Groningse muziek toch wel mooi vond”. Dat kwam door Ede Staal, boegbeeld van het Groningse lied: “Ik begreep de sfeer.” Maar hij realiseerde zich pas echt zijn liefde voor de taal en muziek uit zijn geboortestreek toen hij kort daarna dankzij Rika Dijkstra en Wouter de Koning, – samen het duo ‘De koning en de Dame’ – voor het eerst hoorde van het bestaan van Jan Siebo Uffen: “Ik was direct onder de indruk van zijn poëtische teksten en heb contact met hem opgenomen en gevraagd of hij mijn lied Mon Cher Petit (Franse titel, Engelse tekst) wilde vertalen naar het Gronings. Hij was erg enthousiast en een paar dagen later kreeg ik een prachtige tekst. Sindsdien zijn we vrienden en zing ik alleen maar in het Gronings. Toen ik hem voor het eerst zag leek hij een norse oude man, maar dat beeld klopt niet. Hij is heel zachtaardig, toegankelijk en eerlijk, en iemand die zijn vak goed verstaat. Hij is erg taalgevoelig en een vrolijke speelse kwajongen. Hij laat zien dat leeftijd er echt niet toe doet. En hij verrast mij. Wanneer ik met een onderwerp of Nederlandse tekst aankom, bouwt hij dat altijd op zo’n manier om dat het ook past bij de mensen hier. Mensen die meer zeggen met een half woord. In een zin kun je zoveel dingen lezen. Zijn taalgebruik is efficiënt, dat vind ik fijn, omdat ik ook efficiënt omga met geluid. Ik ben ook altijd direct tevreden over wat hij schrijft. Het klopt altijd. Hij begrijpt mijn timing en vice versa. En dan is er nog zijn vindingrijkheid waardoor hij in zijn teksten verschillende taalgebieden binnen Groningen met elkaar verbindt.”

Veeman en Uffen vormen vanaf het moment dat ze samen aan de slag gingen een combinatie die sterk doet denken aan de vruchtbare samenwerking tussen Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh. Met niet de randstad maar de polder als voedingsbodem. Dat heeft hem artistiek veel opgeleverd: “Door onze focus en eigenwijsheid hebben we een geheel stijl kunnen ontwikkelen.” Klanken die langzaam maar trefzeker opborrelen uit de zompige klei. De zang in het Gronings, de taal die de naam heeft rauw te kinken maar in hun bewerking net zo goed poëtisch mag heten. Recht door zee en gevoelig. Nuchter en hartelijk. Met lichte zwier. Precies zoals de Groninger ook is, al zal hij die zachte kant niet altijd snel prijsgeven.

Romanticus

De muziek van Arnold Veeman is relaxt en indringend en in zekere zin compromisloos. Of hij nu optreedt met een jazzensemble, klassiek orkest, tangokwartet of gitarist, de luisteraar hoort altijd  een weemoedige maar tegelijk vaak blijmoedige romanticus die ontroert. Een verhalenverteller pur sang. Die in de muziek opgaat en er tegelijkertijd boven staat. Een man die in de eerste plaats oprecht is en zijn weg heeft gezocht. In de Groningse taal die bij hem hoort als regen bij de Nederlandse zomer. Die Groningse taal die bij de NOS al snel wordt ondertiteld. Die vaak wordt afgedaan als provinciaals en dus grappig. Bestemd voor die enigszins sukkelige liefhebber die niet over de grenzen kijkt “waar het immers echt te doen is”. “Wanneer mensen eenmaal op een poëtische manier met het Gronings in aanraking komen, verandert het beeld over die taal. Ik wil de grootste kracht van Groningen en de Groningers laten zien.”

Veeman hoeft maar een regel te zingen en het is duidelijk dat zijn muziek er toe doet. De instrumentatie, de intonatie, de voordracht, de opbouw, het gevoel. Maar waarover het nu precies gaat? Dat blijft af en toe een raadsel. “Ideeën werkelijkheid laten worden, dat vind ik altijd magisch. Mijn optredens zijn ook magisch omdat mijn idee dan in een keer hoorbaar en zichtbaar wordt voor een zaal vol publiek”. Dat gebeurt als hij zingt over het moment dat zijn vier- en zesjarige dochters met hun moeder naar Zweden vertrekken, of een ode brengt aan het dorp waar hij woont, of als hij zijn vermoeden uitspreekt dat een vrouw hem in de maling neemt.     

Afscheid

Voor Arnold Veeman staat zijn hele leven in het teken van afscheid nemen. In het licht van die uitspraak is het heel opmerkelijk dat hij geboren lijkt voor het podium. Het is alsof hij nog even een inspirerende ontmoeting moet hebben voor hij zijn publiek gedag zegt. En dat bij elk optreden weer. En het maakt hem niet uit of hij in een kerk staat, een concertzaal of bij iemand in de huiskamer.  Als een stille verleider zuigt hij met zijn onovertroffen mimiek de luisteraar mee in elk lied dat hij uitbeeldt en zingt tegelijk.

Tekst en muziek precies op elkaar afgestemd. Soms na jaren een kleine verandering die het nummer nog beter maakt, het nog meer eenheid geeft. Veeman zegt dat hij zich terdege bewust is van het spanningsveld tussen spontaniteit en intuïtie en het blijven schaven aan een nummer. “Het mag nooit gekunsteld worden. Als er bijvoorbeeld te veel melodische thematiek in een muziekstuk wordt gegooid om het op te leuken, of wanneer – juist andersom-  er wat akkoordjes gespeeld worden op piano of gitaar en daar dwars doorheen een melodie wordt gezongen.” Een andere voorwaarde is dat hij ook zonder microfoon moet kunnen optreden: “Mijn liederen moeten ook in een akoestische setting overeind blijven. Anders zijn ze niet goed.”

Mensen vragen hem wel eens of hij die nummers echt zelf heft geschreven. "Er is maar één uitzondering en dat is Goa Nait Weg Bie Mie. Ne Me Quitte Pas in het Gronings, maar dat was bijna onvermijdelijk”. De laatste jaren luistert hij veel naar muziek van bijna een eeuw oud uit de buurt van Marseille, en dan speciaal naar die van zangeres en actrice Andrée Turcy. Net zoals hij ook helemaal weg is van de bigband-muziek uit de jaren twintig omdat die musici zo los én strak kunnen spelen. Enkele jaren geleden was hij voor het eerst in Suriname, het land van zijn vader die hij nooit heeft gekend, om daar te ontdekken dat hij uit een bijzonder muzikale familie komt met lijntjes naar de in eigen land bijzonder populaire zangeres Patricia van Daal en de ook hier bekende Oscar Harris. 

Geluk

Zijn pleegouders hebben zich wel eens afgevraagd of hij gelukkig is. Daarop is maar één antwoord mogelijk: Arnold Veeman zingt zich richting het geluk. Hij kan geraken in wat hij zelf 'een afgesloten staat' noemt. Dat is een andere benaming voor concentratie, het zich overgeven aan muziek van iemand die muziek leeft. Een serieuze flierefluiter, ook letterlijk. “Voor zover ik me kan herinneren fluit ik al. Ik had een mixtape van Candy Dulfer en merkte dat ik alle saxofoonpartijen kon meefluiten. Hetzelfde bij de gitaarsolo’s van Slayer. Het viel andere mensen niet op en voor mij was het heel gewoon. Ik had toen niet in de gaten dat het een extra kracht van me was, echt een verlengstuk van mijn vocalen. Pas vanaf 2006 bedacht ik me om het mondfluiten te integreren in mijn muziek en liederen. Dit voelde voor mij als een fantastische uitbreiding. Ik voel me hier zo thuis in en kan toch meer uitdrukken omdat ik zo hoog nooit kan zingen. Ik kan het echt als een instrument gebruiken. Ik kan spelen met de timing.”

Passie

Als meer Groningse zangers begon Arnold Veeman met zingen in het Engels om uiteindelijk terecht te komen bij zijn moerstaal. Het Gronings past hem, zeker omdat hij daar samen met Jan Siebo Uffen een geheel eigen draai aan heeft gegeven. Zo eigen dat ook de Groninger in eerste instantie niet alles begrijpt wat hij zingt: “Dat komt omdat het geen proza is maar poëzie. Ook omdat er in de teksten woorden en uitdrukkingen voorkomen die nu niet meer worden gebruikt. Maar de Groninger voelt het wel aan. Daarin zit weinig verschil tussen Groningers en niet-Groningers. Een Groninger herkent wel wat meer woorden en uitdrukkingen. Maar over de hele linie zijn de reacties hetzelfde. Wanneer je je niet kunt vasthouden aan de taal moet je je overgeven aan het gevoel dat de muziek en tekst bij je opwekt.” Woorden die zich als vanzelfsprekend hechten aan de muziek. Weinigen zullen de teksten van Bob Dylan, Jacques Brel, Revaz Lagidze, Amalia Rodrigues of Atahualpa Yupanqui verstaan. Maar ze begrijpen de muziek, voelen dat er een echte artiest achter schuil gaat.

Arnold Veeman combineert de Groningse nuchterheid met Franse flair, Argentijnse passie en Surinaamse losheid. Chanson, tango en Caribische klanken op zijn Gronings. Het polderchanson is geboren, met uitstapjes naar de tango en de swing. Waarbij het chanson zijn meer melodische kant benadrukt en de tango en swing zijn meer ritmische. Veeman is inmiddels de veertig gepasseerd. “Nu ik wat ouder ben kan ik beter beschouwen. Ik weet nu hoe de passie werkt. Prilheid gaat niet weg met het ouder worden, maar je weet op een gegeven moment beter hoe je het moet waarderen. Je kent het patroon en toch ben je fris. Ik kan heel erg genieten, al weet ik nu al vaak hoe iets verloopt.”   

Het album Klaai van Arnold Veeman wordt gerecenseerd in het nieuwe nummer van Heaven dat vrijdag 10 juni verschijnt. Voor meer informatie en optredens zie www.arnoldveeman.com.