Bob James: verguisd en vereerd

5 oktober 2015

“Rappers zien me als legende. Soms staan ze versteld dat ik nog leef. In hun optiek stammen mijn platen uit de prehistorie”, weet Bob James, de blanke toetsenist, componist en arrangeur met het suffe voorkomen van een universitair docent. “Omgekeerd heb ik geen hoge pet op van hiphop. Ik hoor zelden iets dat ik echt goed vind. Ik houd van alles dat creatief en fris is, maar hiphop vind ik doorgaans simplistisch en saai. Ik kan het niet uitstaan als iets zich eindeloos herhaalt zonder ontwikkeling en raffinement.”

Aanleiding voor het gesprek is het verschijnen van The New Cool, zijn album met bassist Nathan East. “We kennen elkaar nu al bijna een kwart eeuw en mettertijd zijn we steeds nauwer bevriend geraakt”, zegt James. Met gitarist Chuck Loeb en drummer Harvey Mason vormen ze gevieren het gelegenheidscombo Fourplay. “Tijdens soundchecks en optredens improviseren we altijd wat”, vertelt James. “Nathan en ik merkten op een gegeven moment dat er telkens iets speciaals gebeurde als we alleen met z’n tweeën speelden. Dan voerden we als het ware een muzikaal gesprek. Zo kwamen we vanzelf op het idee voor een project met uitsluitend toetsen en bas.”

De eerste proeve was Love Me As Though There Were No Tomorrow, een klassieker van Nat King Cole, dat het tweetal opnam voor Botero, een album dat James vijf jaar geleden maakte met de Koreaanse gitarist Jack Lee. Voor het vorig jaar verschenen titelloze solodebuut van East componeerde James het nummer Mood Swing, door hen beiden uitgevoerd met versterking van een strijkkwartet. “Het label was zo enthousiast over het resultaat dat ze ons vroegen om een compleet duo-album.”

Na The New Cool begon James aan zijn eerste pianoconcert, dat ten tijde van het gesprek zijn voltooiing nadert. “Het moet vooral een klassiek stuk worden. In eerste instantie wilde ik de jazz helemaal vermijden, maar dan zou ik mezelf toch tekort doen. De basis wordt gevormd door piano, bas en drums, dus misschien wordt de titel uiteindelijk wel Concerto For A Jazz Trio And Orchestra. Ik ga vrijelijk heen en weer switchen tussen beide idiomen, zonder me te bekommeren welk etiket men er aan zal hangen. Of het men het nou neo-klassiek gaat noemen of third stream of wat dan ook, ik vind alles best zolang de muziek maar puur klinkt.”

Kerstkind Robert McElhiney James (75)  zag in eerste instantie een toekomst als studiomuzikant voor zich. Begin jaren zeventig werkte hij als arrangeur voor CTI, het label van Creed Taylor dat met George Benson, Grover Washington, Jr. en Deodato aan de wieg stond van de souljazz en jazzfunk. “Creed was zo aardig mij een soloplaat te laten maken. Ik greep die gelegenheid aan om allerlei dingen uit te proberen, in de hoop zo meer arrangeerklussen binnen te halen. Het commerciële succes van One veranderde op slag mijn leven. Ik had echt nooit gerekend op een solocarrière.”

De funky grooves van One uit 1974 en opvolger Two van een jaar later bleken zo’n decennium na dato een uitstekende basis voor rap te vormen. Zo werd Take Me To The Mardi Gras vaste prik op de vroege hiphopfeesten in de Bronx en behoort Nautilus tot de meest gesamplede stukken aller tijden. “Eerlijk gezegd heb ik niet veel aandacht besteed aan het opnemen van Nautilus. We spreken nu van lang voor het cd-tijdperk. De beste stukken zette je aan de buitenkant van de lp, want daar had je beste geluidskwaliteit vanwege de bredere groef. Het laatste nummer op de B-kant was bijgevolg meestal een albumvullertje. Niet dat ik Nautilus een wegwerpnummer vond, hoor, daarvoor klonk het toch te lekker.”

Het eenvoudige, repeterende thema leende zich bij uitstek voor een loop, zodat Nautilus zijn weg vond naar de basiscollectie van talloze rapproducers. “Het is een aanstekelijke groove, ja”, beaamt James. “Ik kwam de studio binnen met niets meer dan dat baslijntje en dat pianomotiefje, de rest hebben we ter plekke geïmproviseerd. Later heb ik er nog een strijkersarrangement bij geschreven. De Oberheim synthesizer in het intro deed Creed denken aan het geluid van een onderzeeër, vandaar de titel Nautilus.”

James heeft goed verdiend dankzij het samplen, al zit er ook een andere kant aan de medaille. “Ik bezit alle rechten op mijn soloplaten voor CTI, wat betekent dat ik zelf actie moet ondernemen als mijn muziek zonder toestemming wordt gebruikt. Ik ben meer dan duizend keer gesampled, maar omdat ik hiphop niet op de voet volg, kwam ik daar vaak pas achter als het al verjaard was. Vandaar dat ik het op een gegeven moment uit handen heb gegeven. Zo vang ik toch nog aardig wat geld, terwijl ik er geen omkijken naar heb.”

Gewelddadige en vrouwonvriendelijke rapteksten stellen James trouwens voor een dilemma. “Op zich wil ik niet optreden als censor. Het is niet aan mij om een juridisch oordeel te vellen of een tekst al dan niet aanstootgevend is. Als mijn naam er direct mee in verband kan worden gebracht, kan ik er wel een moreel probleem mee krijgen. Dat speelt trouwens zelden of nooit, want de titel is meestal anders, net zoals de melodie. Maar sommige nummers vond ik zo stuitend dat ik het niet over mijn hart verkreeg toestemming te verlenen.”

“Veel albums van Bob James ontberen integriteit en belichamen muzikale hoererij op de meest schaamteloze wijzes”, luidt het vernietigende oordeel van de All Music Guide. De maker zelf kan er niet wakker van liggen. “Het is een bij voorbaat verloren strijd om de confrontatie met je critici aan te gaan. Winston Churchull heeft ooit gezegd: ‘Zoek nooit ruzie met mensen die inkt kopen in vaten.’ Recensenten hebben nu eenmaal veel macht en je bent altijd in het defensief.” James refereert aan de Lexicon Of Musical Invective: Critical Assaults On Composers Since Beethoven’s Time, een uitputtende verzameling recensies van grote klassieke werken. “Stravinsky werd aanvankelijk verguisd. De grote kranten in Parijs en New York vonden het herrie wat hij maakte. Maar de geschiedenis zou anders uitwijzen.”

Op zich is er trouwens niets mis met gladgestreken muziek, aldus James, die overigens ook ooit tekende voor de tune van de populaire tv-serie Taxi. “Is de muziek van Mozart soms niet gladjes? Nou, waar hebben we het dan over? Ik heet the godfather of smooth jazz, al is dat niet helemaal waar, want soms is mijn muziek best ruig. Niet voor niets maak ik deel uit van de eerste generatie die jazz vermengde met rockelementen. Ik besef terdege dat veel mensen niets van mijn werk moeten hebben: wie van gepolijst houdt vindt het te ruig en wie van ruig houdt vindt het te gladjes.”

Eerlijk is eerlijk: heel wat albums van hem laten zich beluisteren als ordinaire muzak. Heeft mister James nou werkelijk nooit platen opgenomen waarvan hij kon voorspellen dat ze goed zouden verkopen? “Het is bijna onmogelijk voor mij om daar antwoord op te geven. Ik geloof heilig dat ik muziek maak vanuit mijn hart, maar mijn hart wil ook dat zoveel mogelijk mensen het mooi vinden. De cruciale vraag is dus of ik tijdens het componeren de noten aanpas aan wat de mensen graag willen horen. Ik hoop het niet. En als ik het onverhoopt toch doe, gebeurt het in ieder geval onbewust.”

Voor commerciële opdrachtgevers werken, is uiteraard een ander verhaal. “Ik heb dat ook een tijdlang gedaan”, vertelt James. “Op een gegeven moment realiseerde ik me dat ik financieel het best beloond werd voor waar ik het minste voor hoefde te doen: licht verteerbare, voorspelbare muziek, het tegendeel van wat ik mooi, ambitieus en spannend vind. Na verloop van tijd voelde ik me een loonslaaf, die dreigde te eindigen als een geldwolf. Het kon uitlopen op een soort van drugsverslaving, waarvan ik dan moest afkicken. Dus besloot ik er rigoureus mee te stoppen.”

Wie hebben allemaal Bob James gesampled? Lees en luister!