Braziliaanse superster Caetano Veloso

9 augustus 2016

Onder het motto ‘Brazilië is zo veel meer dan Olympische Spelen’, besteedt Heaven extra aandacht aan Braziliaanse popmuziek – als verdieping of als tegenwicht zo u wilt. Dit keer publiceren we het interview dat Peter Schong in 2010 had met superster Caetano Veloso.

Caetano Veloso (1942) behoort tot de drijvende krachten achter Tropicália, een lichting jonge Braziliaanse artiesten die de zwoel swingende samba en bossanova vermengden met experimentele en psychedelische rockinvloeden. De platte Westerse pop- en massacultuur wezen ze rigoureus af, net zoals ze zich kantten tegen de door de Verenigde Staten gesteunde rechtse militaire dictatuur, die het volk in armoede wilden laten leven.

De Tropicalisten vielen niet goed, noch bij de oudere generaties muzikanten, noch bij linkse journalisten en studenten. “Men sprak schande van ons”, herinnert de inmiddels grijze, keurig gekapte Caetano Veloso zich. “Ze vonden de internationale tegencultuur rechts, ze beschouwden het als Amerikaans imperialisme. Hoewel wij hun protesten tegen de militaire dictatuur steunden, wantrouwden ze ons, terwijl onze liedjes juist commentaren waren, parodieën op de commerciële popmuziek. In de jaren zestig werd rock ’n’ roll niet gerespecteerd, nergens. Het was officiële troep.”

In weerwil van alle heftige kritiek liep de jeugd weg met Tropicália. Veloso en geestverwanten als Gilberto Gil, Gal Costa, Tom Zé en Os Mutantes werden supersterren. In Brazilië, waar het leger in 1964 de linkse president Goulart had afgezet, radicaliseerden studenten in hun verzet tegen het militaire regime. Er waren massa­betogingen en gaandeweg ontstond er een stadsguerrilla. Eind 1968 riep de junta de noodtoestand uit. De pers werd gemuilkorfd en er kwam een zwarte lijst voor kritische kunstenaars.

Veloso zong op televisie een kerstliedje met een pistool tegen zijn hoofd en werd kort daarna opgepakt. Zijn vriend Gil trof hetzelfde lot. “We zaten eerst een paar maanden in de militaire gevangenis van Rio de Janeiro. Gemarteld werden we niet, dat deden ze alleen met guerrillastrijders, die soms zelfs werden vermoord. Na een paar maanden brachten ze ons over naar de staat Bahia. Officieel in het openbaar verschijnen was ons ten strengste verboden. We mochten de stad niet uit en moesten ons elke dag melden bij een kolonel.”

Na zo’n half jaar Bahia werden Caetano Veloso en Gilberto Gil op het vliegtuig naar Lissabon gezet. “In Portugal heerste destijds ook een dictatuur, dus daar was het net zo erg als in Brazilië. Vervolgens gingen we naar Parijs, maar daar zaten ze een jaar later nog met de kater van mei 1968. Als je met lang haar over straat liep, vroeg de politie meteen naar je papieren. We eindigden in Londen, waar we zo’n dertig maanden zouden blijven. Ik vond het er maar niks. Het leek daar wel altijd donker. Zo deprimerend.”

In de Britse hoofdstad stuitten Veloso en Gil op hetzelfde onbegrip als thuis. “Onze Londense vrienden vonden onze muziek een slechte imitatie van Angelsaksische rock. Ze wilden van ons liever een soort bossanova horen. Pas sinds de jaren negentig gelden de Tropicália-platen uit die tijd in Engeland en de Verenigde Staten als inventief en innovatief, dit vooral dankzij mensen als David Byrne, Beck, The Dirty Projectors en Devendra Banhart.”

Veloso’s zuster Maria Bethânia, een beroemde zangeres in Brazilië, kreeg het bij de militaire machthebbers gedaan dat hij het veertigjarig huwelijksfeest van zijn ouders mocht bijwonen. “Ik kreeg een verblijfsvergunning voor een maand. Ze hielden me voortdurend in de gaten. Dag en nacht postten ze bij het huis van mijn ouders.”

De junta liet Veloso opdraven voor een paar tv-programma’s, zodat het Braziliaanse volk zou weten dat hij zich in Brazilië bevond. “Ik moest het niet wagen mijn lange haar af te knippen of me te scheren, want dan zouden de mensen misschien denken dat ik daartoe was gedwongen. En de pers mocht absoluut niet schrijven over mijn gevangenschap en ballingschap. Alles was gecensureerd.”

Bossanovapionier en leermeester João Gilberto nodigde Veloso zo’n jaar later uit voor een gezamenlijk optreden. Angst voor de junta hoefde hij volgens hem niet meer te hebben: “God wil dat je nu komt.” En dus reisde Veloso met zijn vrouw af naar Brazilië. “Ze lieten ons inderdaad met rust. We deden de show en konden rustig het vliegtuig terug naar Londen nemen. Toen beseften we dat de mogelijkheid definitief terug te keren steeds reëler werd. Als volkshelden werden we onthaald.”

Saillant genoeg wilde Caetano Veloso nooit muzikant worden, terwijl hij zich nu in één adem laat noemen met de bossanova-uitvinders João Gilberto en Antônio Carlos Jobim. In het westen heet hij te pas en te onpas de Braziliaanse tegenhanger van Bob Dylan en John Lennon & Paul McCartney, wat volgens hemzelf net zo iets is als appels met peren vergelijken. “We zijn generatiegenoten en we hadden dezelfde dromen, maar daar houdt het ook zo’n beetje mee op. Dylan is introvert, romantisch, mysterieus. Van hem weet je niet wat nou wel en niet waar is. Ik ben helemaal niet mystiek, ik ben juist heel openhartig.”

Als Veloso zich al met iemand kan identificeren, dan is het met Lennon ten tijde van Plastic Ono Band, diens therapeutische soloplaat uit 1970. “Misschien heb ik een beetje van zijn intelligentie in me en iets van de muzikaliteit en de geanimeerdheid van Mick Jagger. McCartney op zijn beurt is een veel grotere muzikant dan ik, net als trouwens Gilberto Gil, die ik eigenlijk de beste van allemaal vind.”

Door zijn bevlogen conversatie en energieke motoriek lijkt Veloso wel twintig jaar jonger dan de zeventig die hij telt. En het werk zit er voor hem nog lang niet op. “Ik heb nog niet één liedje, laat staan een heel album afgeleverd waar ik echt tevreden over ben. Ik droom er nog altijd van ooit iets te maken waarvan ik tegen mezelf kan zeggen: ja, dit is het, dit is het allemaal waard geweest.”

Ondanks zijn onverminderde politieke betrokkenheid piekert Veloso er niet over de politiek in te gaan, zoals zijn oude vriend Gil die het afgelopen decennium zes jaar diende als Minister van Cultuur. “Ik wil alles kunnen zeggen wat ik wil en als minister moet je nu eenmaal spreken met de mond van de regering. Bovendien heb ik geen tijd voor de politiek, ik moet muziek kunnen maken.”

In zijn deels autobiografische, uiterst gedetailleerd gedocumenteerde boek Tropical Truth: A Story Of Music And Revolution In Brazil uit 2002 plaatst Caetano Veloso op inzichtelijke wijze de Tropicália-beweging in een sociale, historische, culturele en muzikale context.

Dit is een lichtelijk bewerkt interview met Caetano Veloso dat eerder was te lezen in Heavenmagazine #69, november 2010. Peter Schong selecteerde voor deze site eerder al 14 Braziliaanse albums die je gehoord moet hebben, mét Spotify-speellijst.