Cheikh Lo op Music Meeting

3 juni 2014

Het aanstaande Pinksterweekend vindt de dertigste editie van Music Meeting plaats. Met prachtig weer in het vooruitzicht, is er weinig reden om niet naar Park Brakkenstein in Nijmegen af te reizen. Op het driedaagse festival treden artiesten op die vaak niet zijn te scharen in een hokje. Onder het motto: de beste muziek die je zelden ziet, staat er ook dit jaar veel moois op het programma. Zoals Cheikh Lô uit Senegal, die we enkele jaren geleden interviewden naar aanleiding van zijn toen net verschenen album Jamm.

De altijd uitbundig gekleed gaande Cheikh Lô (59) is uitgegroeid tot een van de grote artiesten van Afrika. Voor Lô is muzikale diversiteit een natuurlijk gegeven. Hij is opgegroeid in Burkina Faso, nabij de grens met Mali, maar zijn ouders kwamen uit Senegal, waar hij met grote regelmaat naar toe ging en zich vanaf zijn twintigste definitief vestigde. Naast diverse West-Afrikaanse talen als Wolof en Bambara, spreekt hij Frans, de taal die je moet beheersen als je in West-Afrika enige ambitie hebt. En Spaans leerde hij zingen bij het Orchestre Volta Jazz, een cluborkest dat zoals in de jaren zeventig gebruikelijk was, alles speelde waar het publiek om vroeg; van Cubaanse rumba tot Ghanese highlife, van Amerikaanse soul tot Franse chansons.

Halverwege de jaren tachtig vertoefde Lô twee jaar lang als sessiemuzikant in Parijs, maar de Eiffeltoren heeft hij toen nauwelijks gezien. “Ik werkte fulltime als achtergrondzanger, percussionist en ook wel gitarist.” Het zorgt voor een enorme verbreding van zijn muzikale horizon, want in Parijs krijgt hij te maken met zo’n beetje elke stroming die de wereldmuziek heeft te bieden.

Cheikh Lô’s eerste album verschijnt in 1990 in Senegal. Nou ja, het is een cassette van povere geluidskwaliteit, maar het bezorgt hem wel lokale bekendheid. Hij verdient er zelfs een prijs mee voor het beste jonge talent. Hij is dan 35. Tijdens een van zijn optredens ontmoet hij Youssou N’Dour die zijn muziek blijkt te kennen en vooral gecharmeerd is van zijn warme en soepele stemgeluid. N’Dour maakt zich sterk voor Lô bij platenbaas Nick Gold van World Circuit en daar verschijnt in 1996 zijn debuut Ne La Thiass, dat door Europese muziekjournalisten wordt uitgeroepen tot het beste wereldmuziekalbum van dat jaar.

Het album kenmerkt zich al door een grote afwisseling in stijlen, en door het geraffineerde gebruik van traditioneel Afrikaanse instrumenten naast in popmuziek gangbare instrumenten als elektrische gitaar, saxofoon en keyboard. Afwisseling blijft zijn handelsmerk op de albums die elkaar in een niet al te hoge frequentie opvolgen: Bambay Gueej (1999), Lamp Fall (2005) en Jamm (2010).

“Ik neem de tijd voor mijn albums, ik laat me niet opjagen door wie dan ook. Haast en stress kosten alleen maar energie. Bovendien wil ik albums maken die net zo veelkleurig zijn als een regenboog, met de boodschap dat het leven heel veel verschillende kanten heeft. Maar ik bepaal niet wat de luisteraar hoort, iedereen luistert op zijn eigen wijze.”