De teloorgang van de protestsong

13 januari 2013

Laten we vooropstellen dat Elvis Presley, Chuck Berry, Bo Diddley en Jerry Lee Lewis nooit de bedoeling hadden om de wereld te veranderen. De grondleggers van de rock ’n’ roll zagen zichzelf primair als entertainers. Dat hun muziek in de jaren vijftig door velen als revolutionair werd ervaren, had niks met politiek te maken, maar alles met volume, attitude en opwinding. De generatie van Elvis Presley was de eerste met een eigen cultuur, een jongerencultuur mogelijk gemaakt door welvaart, techniek en uitvindingen. En natuurlijk ook door zakgeld, transistorradio's en de pil.

Het was de tweede generatie die al doende ontdekte dat popmuziek méér kon zijn, en voor sommigen ook moest zijn dan louter vermaak. De voortrekkers van die generatie debuteerden alle drie zo’n halve eeuw geleden. The Beatles brachten hoop en experiment en predikten liefde, The Rolling Stones stonden voor gevaar en Bob Dylan gaf de popmuziek een geweten. Vijf decennia later zijn The Beatles onverminderd populair en invloedrijk. Maar van de gedachte love is all you need is niet veel meer over. The Rolling Stones, de street fighting men van weleer, zijn een schaamteloze geldmachine gebleken. En Bob Dylan wist begin jaren zestig al niet hoe snel hij van het stigma protestzanger moest afkomen.

Wanneer is de wind gedraaid en waarom? Er zijn diverse oorzaken. Met de afschaffing van de dienstplicht verdween voor velen de noodzaak om te protesteren tegen oorlog. Tegen de strijd in Vietnam werd begin jaren zeventig wereldwijd en massaal geprotesteerd. Tegen de recente oorlogen in Irak en Afghanistan alleen door een handvol pacifisten of mensen uit de regio. Achteraf gezien was het niet alleen idealisme dat de jeugd de straat opdreef, maar ook egoïsme. Met het verdwijnen van de dienstplicht verviel een belangrijke pijler onder het anti-oorlog protest.

Was de muziekminnende jeugd gedurende de jaren zestig nog min of meer one big happy family, tijdens de jaren zeventig raakte de popwereld verdeeld in subculturen als hardrock, punk en disco. Het denken in doelgroepen deed zijn intrede. De wisselwerking tussen die subculturen was nihil. Punk, een protestgenre bij uitstek werd genegeerd door dansers. Hiphop kende in de jaren tachtig kende weliswaar veel kritische geluiden, maar die werden buiten de Amerikaanse binnensteden amper gehoord.

Een andere oorzaak is het verdwijnen van de generatiekloof. Riepen de ouders in de jaren vijftig en zestig nog of die teringherrie niet wat zachter kon, eind jaren zeventig waren de kleintjes groot en hadden ze inmiddels zelf kleintjes. De strijd tegen de oudere generatie annex de gevestigde orde, een belangrijke voedingsbodem voor protest, was goeddeels gewonnen.

Lang werd gedacht dat een loopbaan in de popmuziek eindig was, het betrof immers een jeugdcultuur. Maar het publiek groeide mee met hun jeugdidolen en bleef ze trouw. Verstandige muzikanten bleven niet doen alsof ze eeuwig twintig bleven, maar gingen mee met hun leeftijd. Zo ontstond de Adult Oriented Rock: popmuziek voor volwassenen door volwassenen. En wie zich muzikaal geen raad wist met het klimmen der jaren, kon altijd nog zijn toevlucht zoeken in het nostalgiecircuit.

Maar de belangrijkste oorzaak voor de klimaatverandering in de popcultuur is  gewoon geld. De komst van het MTV begin jaren tachtig betekende het einde van de hippie-idealen. Vanaf dat moment verscheen er geen single meer zonder clip. En een videoclip kostte bergen geld, vaak een veelvoud van de opnamen. Dat geld moest worden terugverdiend. Artiesten hebben geen geld, toen niet en nu nog steeds niet. Het geld zit bij de platenfirma’s. Zij fungeren als banken, zijn bereid te investeren en risico te nemen. Maar ook weer niet al te veel. En platenfirma’s zitten niet te wachten op maatschappelijk relevante kunstuitingen, en al helemaal niet op protestsongs. Tenzij er geld in zit, natuurlijk.

Het is gelukkig niet zo dat met het verdwijnen van de protestsong ook het engagement is verdwenen uit de popwereld. Wel is wijze van uiten sterk veranderd. Live Aid is de blauwdruk geworden van de nieuwe manier van het tonen van maatschappelijke betrokkenheid. Artiesten en hun platenfirma’s werken belangeloos mee. Dat ze door hun aanwezigheid nog populairder kunnen worden en een geslaagd optreden op zo’n evenement bevordelijk is voor de plaatverkoop is mooi meegenomen, maar niet de bedoeling. Of toch wel? Het altruïsme van vroeger lijkt te hebben plaatsgemaakt voor een stilzwijgende ‘voor-wat-hoort-wat’-filosofie.

John Lennon voelde zich als beroemde wereldburger verplicht om die wereld te verbeteren. Deze gedachte leeft ook nu nog onder wereldsterren, maar liever dan zingen over onrecht stelt de moderne popster zich op als mecenas. Neem Madonna, die een school opent in Malawi (en hem wegens wanbeleid ook weer moet sluiten). Of Bono, die zich zo graag mengt onder de machtigen der aarde. Hij laat zich fotograferen op een Afrikaanse steppe met een tas van Louis Vuitton. Om reclame te maken voor duurzame goederen. Je moet wat over hebben voor het goede doel. Maar Bono is misschien wel goed, hij is alleen niet gek. U2 staat als bedrijf ingeschreven in Nederland, puur en alleen om de Ierse belastingen te ontduiken. Dat geliefde Ierland van U2 dat bovengemiddeld hard getroffen is door de crisis en dus best wel wat extra belastinggeld kan gebruiken.

Bruce Springsteen is de held van blue collar Amerika, van de arbeiders en de gewone man. Een jaar of zes geleden bracht hij We Shall Overcome uit, een album met repertoire van de legendarische protestzanger Pete Seeger. Afgelopen jaar kwam hij voor de dag met Wrecking Ball,  waarop hij zich solidair verklaart met de Occupy Wall Street-beweging. Dat heeft toch iets ironisch als je weet dat The Boss behoort tot die vermaledijde 1%. Het album was ook niet goedkoper geprijsd, de royalty’s hield hij lekker zelf en anders dan Lucinda Williams deed hij ook niet aan korting of gratis concerttickets voor armlastige fans.

Er doet zich ook een vreemd verschijnsel voor. De republikeinse gouverneur van New Jersey is een groot fan van Springsteen, een overtuigd democraat. Paul Ryan, de aartsconservatieve running mate van Mitt Romney, zweert bij Rage Against the Machine. Vanzelfsprekend wil de meest linkse en revolutionaire band die Amerika ooit heeft gekend niets met de man te maken hebben.

Andersom kan het voorkomen dat het publiek zich tegen muzikanten keert. Toen een van de drie Dixie Chicks op een Engelse tournee haar excuses aanbood voor de oorlogszuchtigheid van mede-Texaan George W. Bush kreeg ze luid applaus. Maar in de Verenigde Staten werd ze beschuldigd van landverraad. Radiostations weigerden nog langer hun liedjes te draaien, winkels haalden hun albums uit de schappen. Punktrio Green Day daarentegen scoorde het grootste succes van hun carrière met het anti-Bush album American Idiot. Het is een teken des tijds dat die bestseler inmiddels is verwerkt tot Broadway musical, waarin het anti-oorlog thema is weggemoffeld.

De actiebereidheid in de popwereld is dus niet uitgestorven en ook is het niet zo dat er nergens ter wereld meer protestsongs klinken. Er zijn rappers in Iran, metalbands in Irak en punkers in China. Alleen al hun keuze voor westerse genres maakt ze subversief in de ogen van de heersers, reden waarom ze ondergronds moeten opereren. In het westen kan protest je in je portemonnee raken. In landen waar de vrijheid in het geding is, zijn de gevolgen veel groter. Denk aan het Russische Pussy Riot, dat  hun, in onze ogen ludieke, protestactie moest bekopen met zware celstraffen. Hoewel in grote delen van de wereld de noodzaak en de behoefte aan protest zijn afgenomen, heeft popmuziek dus nog steeds de potentie om meer te zijn dan entertainment.

Dit is een verkorte en bewerkte versie van de lezing die Flip van der Enden op 22 december 2012 in De Balie te Amsterdam uitsprak ter inleiding van een speciale vertoning van Searching For Suger Man, de geroemde documentaire over het leven van de Amerikaanse cultheld Rodriguez, wiens muziek zo’n curieuze rol speelde in de strijd tegen het Apartheidsregime in Zuid-Afrika.