George Baker: meer dan een biografie

29 september 2018

Waarom weten we zo weinig over George Baker ofwel Hans Bouwens, het jongetje uit Hoorn dat het schopte van doppencontroleur in een limonadefabriek tot koning van de commerciële popmuziek? Met zijn George Baker Selection is hij de succesvolste nederpopartiest van de jaren zeventig. Het hield Rutger Vahl dusdanig bezig dat hij hem tot vertrekpunt maakte voor een boek. 

En zo benaderde de journalist en historicus, die eerder veel eer inlegde met biografieën over de Nederlands-Zweedse troubadour Cornelis Vreeswijk en Outsiders-boegbeeld Wally Tax, het nog altijd volop actieve object van zijn nieuwsgierigheid met het voorstel voor een biografie. Toen die laatste daar weinig in zag, omdat hij dan over dingen zou moeten praten die hij altijd buiten de publiciteit had weten te houden, besloot Vahl zelf op onderzoek te gaan. Het resulteerde in een boek dat, stelt de auteur in het voorwoord, ‘niet alleen een biografie van een nederpopartiest [is], maar ook een boek over “goede” en “slechte” smaak , en hoe dat onderscheid ons denken over popmuziek de afgelopen halve eeuw heeft bepaald’.

Voordat hij aan zijn klus begon kende Vahl naar eigen zeggen slechts twee nummers van de George Baker Selection: de debuutsingle Little Green Bag uit 1969 en het in 1975 op de plaat gezette wereldsucces Paloma Blanca. Dat laatste nummer is, leerde onderzoek hem, met afstand de meest gecoverde song van een Nederlandse artiest. Maar ofschoon Little Green Bag met zijn ‘onzintekst’ (dixit Bouwens/Baker) dankzij de Amerikaanse regisseur Quentin Tarantino en diens film ‘Reservoir Dogs’ van George Baker een cultheld maakte, geldt zijn lied over de witte duif voor velen nog immer als een dieptepunt in de nederpop. 

En dat terwijl er, zoals het boek laat zien, interessante verhalen over te vertellen zijn.  Begin 1977 speelde Paloma Blanca bijvoorbeeld een rol in de allerlaatste levensfase van de ter dood veroordeelde Amerikaanse moordenaar Gary Gilmore, beschreven in Norman Mailers met een Pulitzerprijs bekroonde boek ‘The Executioner’s Song’.  Het thema van het lied, volgens Vahl in feite een protestsong, is dan ook het verlangen naar vrijheid.  Een thema dat meer George Baker-liedjes kenmerkt en dat terug te voeren zou zijn naar de vroege jeugd van de in 1944 geboren zoon van werkster Nel Bouwens en een destijds in Hoorn gelegerde Italiaanse, door de Duitsers krijgsgevangen gemaakte soldaat. Over diens juiste identiteit tast Bouwens/Baker nog altijd in het duister ondanks verschillende pogingen (inclusief een aflevering van het geschiedenisprogramma ‘Andere Tijden’) om het mysterie op te helderen. Ook Vahl gaat er in zijn boek uitgebreid op in en belicht zo een aspect van de bezetting in de Tweede Wereldoorlog dat tot nu toe grotendeels onbekend was.

De auteur is ook historicus genoeg om het succesverhaal van Bouwens/Baker in een bredere context te plaatsen: die van de gepolariseerde jaren zeventig. ‘Een wat grimmig decennium’, schrijft hij,  waarin ‘een lekker niets-aan-de-handdeuntje over een witte duif als geroepen komt’.  Hoewel hij die constatering even verderop relativeert door te stellen dat de tijdgeest zelden door iedereen op dezelfde manier ervaren wordt. De songschrijver zelf schrijft het succes van Paloma Blanca dan ook toe aan magische krachten.   

Vahls observaties over de jaren zeventig vormen de opmaat tot misschien wel het interessantste en tegelijk discutabelste hoofdstuk van het boek. Daarin gaat de schrijver in op de vraag waarom Bouwens/Baker ondanks zijn ongekende succes binnen en buiten de landsgrenzen in die jaren door de serieuze popjournalisten niet of nauwelijks voor vol werd aangezien en door hen en door columnisten en andere (‘veelal linkse’) opiniemakers beschouwd werd als ‘een boegbeeld van de muzikale verloedering’. Daarbij schroomt hij niet om destijds bij de intelligentsia populaire denkers als Herbert Marcuse, Theodor Adorno en Pierre Bourdieu aan te halen. Die hadden immers veel invloed op het debat over cultuur en goede smaak. En zo kwamen ook popjournalisten met hun ideeën in aanraking en zouden als gevolg daarvan met name de schrijvers van Muziekkrant OOR zich zijn gaan opstellen als ‘smaakpolitie’. Ter illustratie komt de auteur met een kritisch (Vahl kwalificeert het als ‘bevooroordeeld’) interview met Bouwens/Baker door Peter van Bruggen uit 1976. Die laatste doet daarin, constateert de auteur, wat van hem verlangd wordt, namelijk stelling nemen.  Maar, gaat hij verder, OOR vergeet daarbij dat er mensen zijn met een andere achtergrond die misschien geen hoge opleiding hebben genoten en andere dingen in muziek belangrijk vinden dan de OOR-schrijvers. Tja denk je als lezer dan, OOR had toch een doelgroep te bedienen, namelijk die van de ‘kritische’ popconsumenten? En: is popjournalistiek in Nederland sinds jaar en dag, gelet ook op de honorering, niet vooral het terrein van hobbyisme en relatiebeheer? Kortom, een j’accuse voor alle leed dat de popjournalistiek de hoofdpersoon van zijn boek heeft berokkend, past hier een serieus te nemen biograaf toch minder goed dan zaken als kritische distantie en objectiviteit.   

Waarden die hij overigens elders in het boek wel degelijk weet te hanteren, hoewel ook de publieke omroep, met name de VARA, een veeg uit de pan krijgt, omdat ze in het verleden herhaaldelijk heeft laten blijken dat ze, om Baker/Bouwens te citeren, ‘een andere taal spreekt dan de rest van de bevolking’. Ook doet Vahl zich soms naïever voor dan hij vermoedelijk is. Zo schrijft hij over de airplay voor de singles van de George Baker Selection bij zeezender Radio Veronica die, vanwege de vriendschappelijke relatie tussen programmaleider Rob Out en bandmanager Jaap Buijs, vanzelfsprekend was en die in de eerste vijf jaar van de groep leidde tot maar liefst vijftien noteringen in de Veronica Top 40. Zou het feit dat die nummers  waren ondergebracht bij de muziekuitgeverij van Veronica daar wellicht ook iets mee te maken hebben gehad? 

Die vraag blijft onbeantwoord in een boek dat zich laat lezen als een klassiek rags-to-riches verhaal inclusief de daarbijhorende tegenspoed. Vlot geschreven, een Nederpopicoon waardig en meer dan een biografie. Of de harde kern van George Baker-fans er net zoveel plezier aan zal beleven als degenen die de man en zijn muziek vooral als ‘cult’ en ‘camp’ beschouwen, valt evenwel te bezien.

‘Nu weet ik het zeker, ik hou van George Baker’ door Rutger Vahl is verschenen bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar.