In het voetspoor van The Beatles

10 april 2019

Fab Four-fan Henk Hofstede en Nits-adept Pierre De Decker, auteur van het boek Met NITS op reis, reisden met Music Trails door het Liverpool van The Beatles. De Decker doet verslag. … a splendid time is guaranteed for all.

Penny Lane

Henk Hofstede: ‘Ik was hier voor het eerst in 1983. The Nits speelden in Preston de International Battle of the Pop Bands, we werden tweede na Mecano. In de jury zaten Tony Visconti, Kim Wilde en Robin Gibb. Die had een Rolls Royce. Nu, ik ben helemaal geen automan maar dat vond ik wel stijl hebben. De band trok nadien naar Blackpool. Ik niet, ik wilde zien waar dat Beatles-gebeuren vandaan kwam. Ik nam de trein naar Liverpool en informeerde  bij Tourist Information waar Penny Lane lag. Bleek dat bus 86 doorheen die buurt reed. Bij valavond vond ik ook Strawberry Fields. Ik heb het originele hek op super-8 film. Het was ronduit wonderlijk. Maar dat is de impressie natuurlijk van iemand die even met zijn cameraatje boven in een dubbeldekker over zijn idolen gaat zitten dromen.’ 

Bus 86 rijdt nog steeds. En pendelt — via Penny Lane, behind the shelter in the middle of a roundabout, beneath the blue suburban skies — tussen John Lennon Airport en Lime Street Railway Station. Naast het station zat vroeger een koffiehuis, de Punch and Judy. John en Paul wachtten daar vaak op manager Brian Epstein, tot die terugkwam van het zoveelste dagje vergeefs-platencontract-shoppen in Londen.

Het Hard Days Night Hotel, ons hoofdkwartier dit weekend, ligt binnen wandelafstand. In het geklasseerde kantoorgebouw uit 1884, hartje stad, klinkt Beatles-repertoire de klok rond. Af en toe zie je iemand opkijken: “Oh, die hadden we nog niet gehad vandaag.” Bij de kamers horen witte keycards, naar The White Album, en Let It Be en Good Morning- deurhangers. De lounge presenteert een cocktailkaart met o.m. een prosecco-flavoured Love Is All You Need en een Long & Winding Ice Tea, een mix van rum, gin en vodka. En in Blakes Restaurant prijken foto’s van de beroemdheden die kunstenaar Peter Blake op de hoes van Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band positioneerde. Ter info: ons reisgezelschap telt — met permissie — een schoon handvol jonge ouderen, een koppel veertigers en één broekie van 23. Klaas is, tussen haakjes, professioneel muzikant en zal later met graagte effe The Cavern in de fik zetten. In augustus gaat ie terug, zijn tributeband The Beatles Sessions is uitgenodigd voor het International Beatleweek Festival. 

Stuurloos skifflebandje uit Liverpool leert in Hamburg nacht na avond retestrak rock & roll- classics coveren, versiert een platendeal en scoort in geen tijd wereldwijd met zelf geschreven popsongs. Die leerstof is verkend. Dachten we. En toch. The Beatles Story, het museum in een van de pakhuizen rond Albert Dock, reconstrueert hun onwaarschijnlijke parcours op een verrassend gaaf gedocumenteerde tijdlijn mits een schat aan memorabilia, filmpjes en foto’s, artwork en hoofdtelefoon-commentaar van Paul McCartney, Brian Epstein, Cynthia Lennon en George Martin.

Brian Epstein

Henk Hofstede: ‘Ik omschrijf het altijd als een vriendelijke kijkdoos. Het is een beetje knullig. Maar net dat vind ik weer leuk, dat het niet een hi-tech gebeuren is. Dat ze het kantoortje van het Mersey Beat magazine in Renshaw Street decorgewijs nabootsen met alom troep en contracten en affiches, of een part van de immens populaire muziekzaak NEMS reconstrueren met die hokjes waar je je favoriete singles kon beluisteren. Ene Raymond Jones zou daar op 28 oktober 1961 winkelmanager Brian Epstein gevraagd hebben naar My Bonnie van Tony Sheridan and The Beat Brothers. De Beatles gaan naar Amerika? Oké, we bouwen een vliegtuigcabine na. Een moderne vormgever zou het nu anders doen, het is een passé beeld van hoe je een tentoonstelling inricht. Maar het heeft iets heel charmants. En er staan best een paar pareltjes. Zoals een Mellotron,  een sampler avant la lettre, waarmee de groep experimenteerde in Stawberry Fields Forever. Of die Nederlandse Egmond gitaar van George. Begin jaren ’60 verscheepte de fabriek twee ladingen per week naar England. Alle groepjes wilden die gitaren omdat ze zo goedkoop waren. Ik had de basic akoestische met stalen snaren, ik kreeg ze van mijn ouders toen ik een jaar of tien was.’ 

John, Paul, George, Ringo waren war babies. Ze groeiden op middenin de puinen van een verpauperd, ellendig grauw ogend Liverpool. De stad was in WOII door haar ligging, een open port naar Noord-Amerika, van cruciaal strategisch belang en had tijdens de Slag om England, na Londen, het meest te lijden onder de Blitz. De helft van het centrum en de haven werd weggevaagd door de Duitse bombardementen. De wederopbouw, met bovenop een aflossing van oorlogsschulden aan bondgenoten Canada en de VS, zou jaren duren.

Dat hele gebied aan de oevers van de rivier de Mersey — Albert Dock, de Cunard Building genaamd naar de rederij die de eerste trans-Atlantische scheepsverbindingen verzorgde, en de Royal Liver Buiding met de legendarische Liver Birds, het symbool van de stad — is nu Unesco Werelderfgoed. Vlakbij, opzij van het hypermoderne Museum of Liverpool waar op dit ogenblik de excellente expo Double Fantasy - John & Yoko loopt, staat een beeld van de ‘Four Lads from Liverpool’. Keurig in het pak, relaks, met hemd en das, en nette haren. Zie: zo’n foto ergens tussen Help en Revolver in.

Brian Epstein had zijn groepje enkele jaren eerder al met succes een meer salonfähig imago aangemeten in het kapperssalon van Horne Brothers, een herenmodezaak downtown, op de hoek van Whitechapel en Church Street. De leren jasjes gingen de deur uit en de mop-top coupe, een idee van Stu Sutcliffe’s liefde-voor-het-leven, de Hamburgse fotografe Astrid Kirchherr, werd bijgeknipt. Stu — niet echt een goeie muzikant maar hij had de looks — zat samen met John, en diens latere vriendin Cynthia, op het Liverpool College of Art. Onder de middag werd vergaderd en verdronken in Black Velvets, een mix van stout en cider, in een pub vlakbij, Ye Cracke in Rice Street. Wat verder, in Hope Street, ligt The Philharmonic, een exuberant Art Nouveau café uit 1898. Paul McCartney gaf er in juni 2018 een heartbreaking verrassingsoptreden als afsluiter van zijn passage in de The Late Late - Carpool Karaoke - Show van James Corden. Voor de duideljkheid, de Phil heeft geen podium. Dat werd, net als de toog, voor de gelegenheid door de opnameploeg geïnstalleerd in het restaurant.

Hofstede: ‘Om dat Beatles verhaal echt mee te maken moet je in die stad zijn. Dat leeft sterker dan in London. Er zijn de Abbey Road Studios natuurlijk, en Paul’s huis daar in de buurt. Maar toen waren ze al wereldberoemd, ze leefden in grote rijkdom. Dat leidt toch tot een soort vervlakking, dat is minder interessant. Hier gebeurde het. Hier hebben ze in de straten gelopen, hier namen ze de bus, hier zijn de scholen. Eigenlijk kan je in een uur of twee dat hele centrum rondgaan, alom vind je een referentieplek of gedenkplaat. Ze kochten hun eerste instrumenten in Rushworth’s Music House, in Richmond Street. In Percy Philips’ Recording Studio maakten ze hun vroegste opnames: Buddy Holly’s That’ll Be The Day en In Spite Of All The Danger, een McCartney/Harrison nummer. Hier zijn de cafés waar ze kwamen en de clubs waar ze speelden, zoals The Iron Door — ‘The Cradle of Mersey Beat’ — of The Grapes, met een bankje met opschrift Here Sat The Beatles. Dichterbij kan je niet komen.’

Cavern Club

Een avondje stappen in The Cavern Club, op vrijdag of zaterdag, is ontegensprekelijk een goed plan. Niet te missen. Doen. Oké, de originele plek zat in de kelders van een pakhuis in Matthew Street. Het was in aanzet een jazzclub maar werd snel — het succes van skiffle en rock & roll bleek niet te stuiten — een thuishaven voor fans van jong lokaal talent dat viel voor het repertoire van Lonnie Donegan, Chuck Berry, Elvis en Little Richard. The Quarrymen, met John, maar zonder Paul en George, stonden er voor het eerst in augustus 1957. The Beatles, met Pete Best en daarna Ringo, speelden er tussen 1961 en 1963 zo’n 290 keer.

Het pand moest voor nieuwbouw tegen de vlakte in 1973, het was een stadsschandaal. De huidige Cavern, inclusief een hoop bakstenen van de oude locatie, opende schuin tegenover in 1984. Tot zover de Gewijde Geschiedenis.

Feit is dat de sfeer in dat muziektempeltje met-een-tweede-leven nog altijd als fijne plakken fun en sweat en sex en rock & roll te smaken valt. Er wordt ongegeneerd volop met veel plezier gedronken en gezongen. De houseband swingt set na set scherp, snoeihard en sletig voor het oor. Bovendien is het vanavond tussendoor ook open mic night. Twee meisjes zetten de zaak op zijn kop met All My Loving, ze vieren hun verjaardag. Klaas doet een verbluffend A Hard Day’s Night. Een Italiaans trio pakt uit met I Saw Her Standing There, ze zijn hier voor een trouwpartij van vrienden.

Hofstede: ‘ “Ciao Cavern!”. Zo openen! Dat is toch super! De mensen vinden het helemaal te gek. Het is gewoon een bak herrie die daar gemaakt wordt. Net als toen. Zo hoort het. Die ambiance vind ik telkens weer bijzonder. Het is grof soms. In mijn leven word ik zelden omver gelopen door een dame, hier gebeurt het regelmatig. Ze dringen zich naar voren, met zulke armen, net bouwvakkers. Maar het is niet agressief of zo, echt niet. En iedereen doet mee. Of het nu Blur of Oasis is, of Paul Weller, of Teenage  Kicks van The Undertones, dat soort liedjes. De Engelsen kennen ze allemaal. Ze hebben een ongelooflijke basiskennis van populaire muziek, het is hun muziek. Die crowd in The Cavern kan gewoon The Kinks’ Autumn Almanac doen, best een complex liedje. Da’s een kleine symfonie, da’s geen Hazes’ song. Dat zegt iets over hun liefde voor dat materiaal. Dan voel je dat je ook simpelweg lol kan hebben met muziek. Van She Loves You en Eight Days A Week, daar word je niet treurig van. Dat optimisme, die vitaliteit. Het is werkelijk zoals ik eens een chauffeur van de Magical Mystery Tour-bus tegen een enthousiaste toeriste hoorde knikken: “Yes ma’am. Of course. The Beatles, they’re there to make you happy!” ’

Zo’n MMT-busje rijdt ons ’s anderendaags naar St. Peter’s Church & Hall in Woolton Village, een groene gemeente in de rand. John stond daar, op 6 juli 1957, met zijn Quarrymen op een feestje. Na een ietwat ongemakkelijk optreden, hij haalde de setlijst hopeloos door elkaar, werd hij door een gemeenschappelijke vriend voorgesteld aan Paul. Die imponeerde meteen. Die wist niet alleen de woorden van alle liedjes, Be-Bop-A-Lula, Twenty Flight Rock …, hij kon ook een instrument stemmen en kende echte gitaarakkoorden. John had leren spelen op de vier-snarige banjo van zijn ma Julia. “That was the day, the day I met Paul that it started moving”. Paul introduceerde een jaar later George Harrison. John vond zijn versie van Bill Justis’ hit Raunchy passabel.

Pete Best

Even terzijde. Het was Mona ‘Mo’ Best, de moeder van Pete Best, die dit stelletje ongeregeld uiteindelijk The Cavern binnenloodste. In de kelders van haar villa in Hayman’s Green, West Derby runde ze de Casbah Coffee Club, de eerste beatclub van Liverpool met livemuziek, “no jazz, no skiffle, no blues, just rock & roll”. De jongens speelden de opening night, op 29 augustus 1959, ze hadden de plek snel-snel mee helpen inrichten. The Quarrymen, The Silver Beatles, The Beatles werden echter al gauw zo populair — ze pendelden intussen over en weer naar Hamburg en klonken telkens ook veel beter — dat ‘Mo’ hen noodgedwongen ging boeken in grotere venues in de stad. Een echte manager wilde ze niet worden, ze wilde wat best was voor de band. Brian Epstein had hen al gespot tijdens een lunchconcert in The Cavern, hij had de contacten en het geld. Zodus. Maar ‘Mo’ was furieus toen die haar zoon, zonder reden, plots opzij schoof. “The boys want you out, Ringo will start with the group on Saturday.”

Het doet wat met een mens als je in die kelderkrocht rondkijkt. Die eerste avond in de Casbah traden ze op voor 200 man. Op 9 februari 1964 scoorden ze voor een publiek van 73 miljoen in de Ed Sullivan Show.

Hofstede: ‘Dat valt heel moeilijk te vatten. Maar dat is de essentie van dit geweldige verhaal natuurlijk. Het ontstaat vanuit een koppel kleine burgermans huisjes in een half sociale wijk, en een jeugdhonk en lokale clubs en pubs. Het is niet in Hollywood naast het zwembad bedacht.’ 

We passeren met ons busje het geboortehuis van George, in Arnold Grove. Fotograferen kan, bezoeken niet. Het wordt nog steeds bewoond. Het is piepklein: twee kamers boven, twee onder, toilet buiten op het koertje.

Ringo’ eerste woonst, in Madryn Street, is net zo nietig. Powis Street, vlakbij, fungeert deze dagen als decor voor de opnames van Peaky Blinders, een historische televisieserie over een gangstercollectief uit Birmingham. Om de hoek prijkt The Empress, het café van de hoesfoto van Ringo Starr’s solo-debuut Sentimental Journey.

Hofstede: ‘De eerste keer dat ik hier kwam met de Beatles-reis was alles dicht gespijkerd. “Kijk nog even goed.”, zei de gids. “Dit gaat er allemaal niet meer zijn.” Dat troosteloze achterbuurtje stond op het punt gesloopt te worden.’

Die zogeheten Welsh Streets, ze hadden erg te lijden hadden tijdens WOII, worden nu eindelijk na jarenlang petities en protest opgeknapt. Maar Ringo’s stek is tot op heden niet geregistreerd als cultureel erfgoed.

Yoko Ono

Yoko Ono doneerde de woning van Aunt Mimi, John’s tweede thuis, aan de National Trust. Op het bed in zijn slaapkamer ligt Yoko’s schrijven, ‘Dreaming in Mendips’, met de slotzin “Walking into that room today, so many years later, still gives me goosebumps. I hope you’ll make your dream come true, too, as John did his.” Een poster van Brigitte Bardot, een grammofoon, een paar plaatjes. “You’ll have to use the backdoor Paul.”, waarschuwde John. “Aunt Mimi is a bit of a snob.” Mendips, langs Menlove Avenue, ligt in Woolton, — zie hoger — een duurder stadskwartier. Een ruime tuin, met daarachter Strawberry Fields. Erkers. Een eetplaats, een heus salon, immer onberispelijk kraaknet. In de inkomhal zit een bel voor de meid. Maar die was er niet. Mimi verhuurde aan studenten om de eindjes aan elkaar te knopen. En John moest evenzeer studeren, vond ze. Die muziek wordt niks. De jongens konden desnoods wat spelen in de inkomhal. Die had wel een goeie akoestiek, de galm tegen het glas in lood klonk top.

Repeteren deden ze dus vooral bij Paul. Zijn pa was hobbymuzikant, hij leidde zijn eigen Jim Mac’s Band. De buffetpiano in de voorkamer had hij gekocht in de winkel van de vader van Brian Epstein. Paul componeerde er een vroege When I’m 64 versie op.

20, Forthlin Road is net als Mendips een beschermd monument, precies teruggebracht naar de staat van toen. Het interieur is met smaak en stijl gereconstrueerd. Het houten raamwerk, de einde reeks-tapijtstroken in verschillende kleuren, de zeepjes in de keuken, de zetels met afdekstofjes op de armleuning, het radiomeubel om te luisteren naar de variétéprogramma’s van de BBC en de hippe shows van Radio Luxembourg.

Hofstede: ‘Je stapt waarlijk in een tijdmachine. Het is een heel authentieke omgeving, niet zozeer mooi gemaakt, maar niet verpest. Ze hadden het kunnen oppoetsen als een museum. Ik vind echt dat je hier in het huisje van de familie McCartney staat. Na zo’n weekend Liverpool zeggen de meeste mensen me dat ze wel iets bijzonders meegemaakt hebben. Elk komt toch met een eigen insteek. Soms hebben ze iets minder met muziek, soms is het gewoon een belevenis, soms gaat het erg diep. En ik hoor altijd dat iedereen dat bezoek aan die woningen zo indrukwekkend vindt.’

Daar hebben ze die eerste schetsen van nummers en hits gemaakt natuurlijk. Love Me  Do, I Saw Her Standing There, I’ll Get You, I Call Your Name, Please Please Me. Ze hadden een afspraak. Als ze de dag erna niet wisten hoe die ene song weer ging, dan was die vast niet goed genoeg. Anders werd die genoteerd in een schoolschrift als another Lennon/McCartney original.

In 20, Forthlin Road hangen ook prachtige zwart-wit foto’ van Paul’s broer, Michael. Eén foto is fantastisch. John en Paul die met gitaren op schoot, dat schriftje binnen handbereik, een liedje schrijven.

Hofstede: ‘Dat was een eye opener. Ik ken dat proces, wat woorden en akkoorden proberen. Maar dan sta je in die kamer en je ziet die foto, je ziet dat boekje, die twee jonge jongens bij elkaar. Het is zo weinig, zo basic, en het effect is zo idioot geweest. Da’s waanzinnig dat een paar jaar later bij wijze van spreken de hele wereld dan die liedjes kent. En hun zoektocht was net begonnen! Ze wisten dat dit een goudader was, dat voel je, dat het er in zit. Het is niet alleen maar I Want To Hold Your Hand of And I Love Her, Tomorrow Never Knows komt ook nog.’  

Henk en Pierre reisden met Music Trails. De organisatie van journalistiek verhalenverteller Marc Stakenburg, begeleidt reizen naar iconische muziekplekken als Chicago, Cuba, New Orleans, Woodstock, Nashville, Memphis en Liverpool. Zie voor meer informatie www.musictrails.nl