Joe Bonamassa, blanke bluesbeul

9 maart 2015

Het is natuurlijk toeval, al zullen zijn meest fanatieke fans er ongetwijfeld een mystiek teken in zien: Joe Bonamassa is evenals Robert Johnson geboren op 8 mei. Hoewel hij de legendarische status van die enigmatische bluesman wel nooit zal evenaren, heeft de Amerikaanse gitaarbeul afdoende bewezen tot de eredivisie van het bluesrockgilde te behoren. Nog niet eens veertig geniet hij al de status van een veteraan.

Joe Bonamassa is dan ook een gewezen wonderkind. Met veel enthousiasme vertelt hij hoe zijn vader hem op zesjarige leeftijd meeneemt naar een concert van Gregg Allman. Saillant detail: dezelfde toetsenist uit The Allman Brothers Band zal begin deze eeuw een glansrol vervullen op zijn debuut A New Day Yesterday. De in New York geboren Joe vertegenwoordigd de vierde generatie uit een muzikantenfamilie. Overgrootvader en grootvader bespeelden de trompet, pa is gitarist. “Vanaf mijn vierde liet hij me elke week een nieuwe plaat horen. De ene keer iets Yes of Free, de andere keer Rory Gallagher of Muddy Waters. Dan leerde hij me tegelijk de bijbehorende akkoorden.”

Als hij nog geen twaalf jaar oud is, treedt Joe al op met een eigen band. In diezelfde periode krijgt zijn moeder een telefoontje van het management van B.B. King: of haar zoon niet een keertje samen wil optreden met de beroemde bluesopa. “Hij had over me gelezen en een van zijn mensen naar een concert gestuurd. Een dik, blank, brildragend kereltje dat de blues speelt was kennelijk wel een bezienswaardigheid.” B.B. King is overdonderd en noemt hem a legend in the making. “Die dag markeerde een ommekeer in mijn carrière. Ik kreeg de kans om me voor een groot publiek te profileren, kwam op televisie en sleepte mijn eerste platencontract in de wacht. Als B.B. King er niet was geweest, dan zaten we hier nu niet te praten.”

In zijn stormachtige loopbaan speelt Joe Bonamassa samen met bijna alle grote bluesmannen, van Albert Collins en Buddy Guy tot Eric Clapton en Steve Winwood. Stuk voor stuk grote helden van wie hij naar eigen zeggen het nodige heeft opgestoken. Maar zijn allergrootste inspirator is naast zijn vader toch de zeldzaam veelzijdige gitaarvirtuoos Danny Gatton, die zichzelf medio jaren negentig op bijna vijftigjarige leeftijd een kogel door het hoofd schoot. “Ik vermoed dat hij in mij iets herkende van zichzelf in zijn jonge jaren. We leken zelfs fysiek op elkaar. Mijn vader noemde me een miniatuuruitgave van hem.”

Gatton neemt Bonamassa tijdens enkele tournees onder zijn hoede en toont zich een strenge leermeester. “Ik moest de licks die hij me voordeed tot in den treure naspelen. Hij zei: ‘Joe, je speelt een aardig mopje blues, maar als je een echt grote gitarist wilt worden is dat bij lange na niet genoeg. Je weet niks van jazz, rockabilly en rock ’n’ roll. Ken je Scotty Moore, Wes Montgomery of Charlie Christian? Bestudeer het werk van die mensen. Blijf in godsnaam niet in een trucje hangen.” Die goede raad neemt hij tot op de dag van vandaag ter harte. “Je probeert toch telkens weer je spel te verbeteren en nieuwe invalshoeken te bedenken. De roots dien je ten allen tijde te respecteren, maar laat je werk niet dicteren door het verleden. Al was het maar omdat de blues anders ten dode is opgeschreven.”