Levend en wel

16 februari 2014

Liveplaten. Ik heb er niet zo veel mee, nooit gehad ook. En toch behoren er inmiddels al aardig wat tot mijn lievelingsalbums. Afgelopen najaar verschenen er liefst drie die ik met de lente in zicht nog steeds geregeld draai. Waarbij ik Live At The Academy Of Music 1971 van The Band niet eens meetel als zijnde iets van toen, te weten de dubbelelpee Rock Of Ages in een uitgebreide versie. Maar allemachtig, wat een meeslepende muziek maakten die Americana-pioniers – zo superieur en glorieus klonk het zelfs niet in mijn gekleurd geheugen. Vroeger was het dus blijkbaar nog beter dan gedacht – nou ja, in elk geval in dit geval.

Goed, over nu naar Live In San Francisco. Alweer zo’n dertig maanden terug kwam Ry Cooder met het geweldige Pull Up Some Dust And Sit Down, waarop hij even giftig als geestig afgeeft op politiekers, bankiers en rijkaards. Het verschijnen van die sardonische protestplaat, als vanouds een hot burrito van rock, soul, gospel, blues, folk en norteño, werd enige luister bijgezet met een tweetal concerten in de opulente Great American Music Hall. Dat het repertoire goeddeels bestond uit beproefde podiumkrakers van pakweg een kwart eeuw geleden, uitgevoerd bovendien in een gelijkaardige bezetting – ach, het zou wat. Of eigenlijk juist wel, want The Moula Banda Rhythm Aces van toen werden warempel overklast door Los Corridos Famosos, een allesbehalve doodgerepeteerd orkest dat lekker lang in de nummers kon blijven hangen zonder over de hoofden van de luisteraars heen te spelen. Ondertussen stond de meestergitarist zelf zich zo te horen misschien nog wel het meest van iedereen te vermaken. Het lumineuze idee om de fanfare La Banda Juvenil een partijtje te laten meeblazen was overigens vrij naar Los Lobos, die de galavoorstellingen van hun ultieme klassieker Kiko immers steevast laten uitluiden door een Mexicaanse dweilkapel. Geeft verder natuurlijk niet, al moest het mij toch even van hart.

Over Los Lobos geschreven. Halverwege hun veertigste jaar zitten ze momenteel, maar doordat ze zich maand in maand uit het schompes moeten touren, schoot het maken van een jubileumalbum er finaal bij in. Aldus verzon Tom Poes een list. Elke oudejaarsavond om zeven en elf uur treden de amigos de musica op in de City Winery in Lower Manhattan, alwaar de gast zich aan het juiste adres weet voor the highest-end combined culinary and cultural experience. Of ze de dagen voor Kerstmis niet eens een paar unplugged shows wilden geven, luidde twee jaar terug het verzoek. Cómo no! En wat als ze nou voor de gelegenheid eens een set zouden samenstellen met nummers die ze zelden of nooit op het podium brengen, allemaal nummers met een latin touch bijvoorbeeld die ook nog eens verhalen over Chicano’s in de barrio van Oost-Los Angeles. Zou dat niet een aardige verjaardagsplaat opleveren? Het vergde een dagje repeteren, maar zelfs wie zoals ik hun werk van haver tot gort kent, kreeg toen wel iets nieuws. Alleen die titel Disconnected In New York City klopt van geen kanten: versterkt akoestisch betekent bij Los Lobos namelijk nog altijd gewoon knalhard. Nee, aanstekelijker en gevarieerder kan een band onmogelijk klinken, denk ik iedere keer weer. Bedrieglijker pretentieloos trouwens evenmin: luister er eens met gespitste oren naar en hoor toch wat voor fabuleuze dingen er allemaal in hun muziek gebeuren – het valt bijna niet te geloven.

And now for something completely different: Nick Cave. Man van het Jaar, kopten zowat alle toonaangevende popbladen in Engeland en Europa, dus wie ben ik dan om daar iets op af te dingen – behalve dan: wie anders? Want afgelopen jaar verschenen er tal van prima albums, maar de klassiekers in de dop laten zich op de vingers van een hand tellen. Zelf had ik het met Push The Sky Away overigens al na een paar weken wel gehoord – synthetische klanklandschappen, sorry hoor, niet echt mijn smaak –, al durfde ik dat pas hardop te bekennen na het uitkomen vlak voor Sinterklaas van Live From KCRW. Voor dat radiostation van het Santa Monica College in Los Angeles County gaf de crooner noir met een uitgedunde Bad Seeds voor een kleine tweehonderd mensen een even ingetogen als bewogen optreden met als driedubbel uitroepteken een staaltje trashrock. Vier recente stukken, de rest prijsnummers uit vooral zijn onvolprezen middenperiode, gespeeld op versterkte tenorgitaar, piano, orgel, viool en percussie, hier en daar bijgekleurd met een beetje elektronica, oftewel: krachtige olieverfschilderijen, niet van die wazige aquarellen. Ja, zo wil ik het horen.