Onder de Naald: AC/DC

28 augustus 2019

Ik kan mij niet heel veel specifieke zaken van de zomer van 1978 herinneren maar wel de release van Whole Lotta Rosie van AC/DC met die in gewapend beton gegoten riff van Angus Young. Een riff uit eenvoud geboren maar met een ongekende doeltreffendheid. Een regelrechte en niet te missen linkse directe in het smoelwerk van mijn vriendengroep en ondergetekende. En verdorie, een meer dan gewenste muilpeer, want het discovirus, in 1977 mede aangewakkerd door de frivole danspasjes van John Travolta in Saturday Night’s Fever, bleef hardnekkig om zich heen grijpen. Wij zagen het met lede ogen aan. Totdat de volslanke Rosie haar gezicht liet zien. Ze was dan misschien niet knap maar in onze ogen was ze wel een wereldwijf.

She ain’t exactly pretty / Ain’t exactly small / Forty-two, thirty nine, fifty-six / You could say she’s got it all..!”

Onze walging voor dat inhoudsloze discogedoe was groot. Heel groot. Het discoritme was zo spannend als de baard van Chriet Titulaer in die jaren. Disco really made it, it’s empty and I hate it, zong Vandenburg met zijn Gruppo Sportivo een jaar later. Wij hebben overwogen om eigenhandig een standbeeld voor Hans in elkaar te knutselen. Van karton weliswaar maar toch, Hans was even een held. Zoals Frank Zappa dat ook werd. Op zijn album Sheik Yerbouty (Shake Your Booty) dreef hij de spot met al die dansende mafkezen in discotheken en de scene waarin deze muziek wist te ontkiemen. Natuurlijk bood punk tegenwicht maar dat drong tot onze vriendengroep niet ver genoeg door. Beton was de fundering waarop wij goed wisten te gedijen. Voor ons waren gelikte danspasjes in witte broeken en draaiende spiegelbollen geen optie. Geen zaterdagavond dansvloerkoorts. Nee, ben je mal. Wij bliefden graag beukende gitaren, klotsende zweetoksels en haren die verstrengeld raakten in zwaar gegeselde snaren. En een riff zoals die in Whole Lotta Rosie was te horen. Een riff die zelfs doordrong tot de door ons zo verafschuwde danszalen met stroboscoopverlichting. De kennelijk onverzadigbare Rosie oversteeg die zomer alles. En dat was precies de reden waarom wij zo hielden van Rosie. 

You’re a whole lotta woman / A whole lotta woman / Whole lotta Rosie.”

De zomer van 1978 is niet meer. Anno 2019 is mijn platenkast zelfs erg goed gevuld met soul en funk. Een aantal weken geleden kocht ik een compilatie op vinyl. Uitgebracht door het uitstekende label Soul & Jazz Records. Niet alleen een uiterst vermakelijk album maar het biedt ook nog eens prima muziek. Discomuziek. Obscure namen maar toch, discomuziek. Gelukkig keken mijn oude vrienden niet over mijn schouder mee toen ik mijn pinpas tevoorschijn haalde om het zwarte vinyl af te rekenen. Ze hadden mij onherroepelijk met pek besmeurd en mij een enkeltje Highway To Hell in mijn handen gedrukt. Ik wijd dit verraad natuurlijk niet aan mezelf of aan mijn inconsequente muzieksmaak. Als het even kan schuif ik de schuld liever in de schoenen van die talloze cross-overbands uit de jaren ’80 en ’90 die ervoor hebben gezorgd dat heilige huisjes en muzikale hokjes verdwenen als Ola ijsjes bij tropische 40+ graden. Hoe dan ook, deze week liet ik Whole Lotta Rosie nog eens door de kamer schallen. Even was ik weer veertien. En misschien omdat schuld zwaarder woog dan dat ikzelf wilde toegeven legde ik daarna ook nog even Zappa’s Sheik Yerbouti onder de naald. Zappa zong me bestraffend toe terwijl mijn heupen lichtjes mee begonnen te wiegen op de muziek. I hear that beat / I jump outa my seat / But I can’t compete / Cause I’m a dancin’ fool / I’m a dancin’ fool