Onder de naald: D'n Haof

25 december 2018

Elke avond loop ik langs dat huis wanneer ik de laatste meters maak van de bushalte naar onze voordeur. Dat huis waarbij aan beide ramen van de huiskamer grote verlichte kerststerren hangen. Niet van dat nieuw gekocht kerstspul maar gewoon fijne, ouderwetse verlichte kerststerren met een snoertje eraan. Zoals die vroeger ook in onze huiskamer hingen. En het doet iets met me. Het brengt me terug naar de kerstdagen van toen. Kerst met mijn ouders. Want kerst is voor mij niet alleen heden en toekomst. Het is zeker ook het verleden. Even terug naar hetgeen ooit was. Niet voor niets heb ik het meest kitscherige theelichtje dat ooit is gemaakt – het deed bij mijn ouders iedere kerst dienst als sierlicht – op enig moment geconfisqueerd. Het staat bij ons in de huiskamer en mijn vrouw protesteert al lang niet meer. Liefde is niet alleen geven maar ook accepteren. Als kind zat ik gefascineerd naar de vlam van het kaarsje door de gekleurde kralen van dat theelicht te kijken. En ik kijk er nu nog naar. Niet slechts herinneringen maar vooral dat gevoel van toen zit ingekapseld in dat foeilelijk ding. En hoe lelijk het ook is, ik zou het voor geen goud willen missen.   

Dat ‘gevoel van toe’ kreeg ik laatst ook toen we een optreden van Gé Reinders met de Koninklijke Harmonie Sainte Cécile van Eijsden in het theater bijwoonden. Ik heb deze zanger uit Roermond sinds zijn album Truuk Nao Aaf gevolgd. Hoewel de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat die aandacht de laatste jaren is verwaterd. En laat ik meteen maar een open deur intrappen: Gé Reinders, die nu eenmaal in het Limburgs dialect zingt, mag misschien ‘binnenkomen’ bij provinciegenoten, maar daarbuiten gaat het al snel wringen. Zoals dat wellicht voor bijna iedere zanger(es) geldt die in een dialect zingt. Het Limburgs dialect mag alles behalve sexy zijn maar aan het eind van de dag is het wel de taal waarin wij denken, voelen en leven. Het is de taal van het hart. Ondanks dat het een dialect is. En Reinders weet met die taal, als geen ander, het hart aan te spreken. Niet alleen vanwege zijn uitzonderlijke talent om zeer fraaie liedjes te schrijven, maar vooral omdat hij me weet terug te brengen naar de grond waar ik ben opgegroeid. Mij steeds opnieuw weet te aarden. Iedere dag kijken wij door de ogen van de media de wijde wereld in. Drie keer de letter w zorgt ervoor dat een wereldwijd web zich opent. Grenzen vervagen, mogelijkheden zijn onbeperkt. De blik naar buiten. De wereld binnen handbereik.  

Maar met het grootste gemak wist Gé Reinders ons die avond terug te brengen naar waar we vandaan komen. Terug naar de plaatsen die er ooit toe deden. Terug naar die kleine kapel bij het korenveld. Terug naar de nachtdiscotheken in de Belgische grensgemeenten waar Limburgse tieners in het weekend na sluitingstijd waren te vinden. En terug naar de straten van dat dorp waar een fanfare liep en speelde. Terug naar dat provinciale, dat kleine. Dat kleine dat misschien wel zijn essentie heeft gevonden in het lied D'n haof (de tuin). Niet eens zijn sterkste nummer, maar wel juist een lied waarin het universele gevoel ligt opgesloten om de waan van de dag even te laten voor wat die is. Om met verwondering te kijken naar al wat bloeit. Een verwondering die past bij een bepaalde levensfase. Het is muziek die je terugbrengt naar je roots. Terug naar de grond waar je geworteld bent. Zoals die twee kerststerren mij iedere dag terug weten te brengen naar de kerstdagen in die huiskamer van dat kleine rijtjeshuis. Naar die huiskamer van mijn ouders. Naar die huiskamer met dat foeilelijk theelichtje.