Op het tweede gehoor: De vloek van een droomdebuut

23 augustus 2019
Sommige artiesten debuteren met een album dat inslaat als een bom. Ze vestigen meteen hun naam, verwerven instant-roem, soms wordt hun eerste plaat zelfs een mijlpaal in de popgeschiedenis. Maar er is ook een keerzijde. Bij sommige artiesten hangt het droomdebuut als een molensteen om de nek. Hun volgende platen worden altijd met die eerste vergeleken – en te licht bevonden. Aan hun carrière kleeft iets van niet-ingeloste beloftes.

We kennen allemaal wel de voorbeelden: de debuutalbums van Roxy Music (1972), The Modern Lovers (1976), Rickie Lee Jones (1979) en The La’s (1990). Of denk aan #1 (Big Star, 1972), Never Mind the Bollocks, Here’s the Sex Pistols (1977), Marquee Moon (Television, 1977) en Definitely Maybe (Oasis, 1994). Vaak maakten de artiesten nog wel degelijk goede platen, maar in de ogen van de buitenwereld staken die toch steeds bleek af tegen hun eersteling.

Komt dit, zoals wel wordt gesuggereerd, doordat artiesten op hun eerste album vaak hun beste nummers van de voorgaande tien jaar zetten en daarna niet op tijd genoeg goeie nieuwe nummers weten te schrijven? Of is het snelle succes ten koste gegaan van hun urgentie en bezieling?

Het zou allemaal kunnen, maar ik geloof dat de verklaring grotendeels bij de luisteraar en bij de popjournalisten ligt. Gewoonweg omdat oordelen relatief zijn. Net als bij onze zintuigen: wanneer we uit de winterkou thuiskomen vinden we het binnen lekker warm, als we uit bed moeten stappen ervaren we dezelfde temperatuur als schrikwekkend koud.

Bij muziek is het misschien nog iets ingewikkelder. Ons oordeel hangt van zoveel dingen af. Van wat we kort daarvoor hebben beluisterd. Van onze oudere muzikale herinneringen. Van de mening van anderen. Van iets ongrijpbaars dat we ‘de tijdgeest’ noemen. Van onze toevallige stemming van het moment. Enzovoort. Twee dingen zijn zeker: (1) objectiviteit is ver weg en (2) we zijn ons van dit alles tijdens het oordelen maar deels bewust.

Ik vermoed dat we ons van die meesterlijke debuutalbums niet zozeer de kwaliteit van de muziek herinneren, maar vooral de sterke schok die die plaat bij ons teweegbracht. En dat we bij elk volgend werkstuk van de artiest onbewust wachten op datzelfde heftige gevoel van ontdekking en verwondering. Teleurstelling kan bijna niet uitblijven.

Toch zijn er artiesten die weten te ontsnappen aan dat geluk dat een ongeluk werd. Zoals The Beatles (Please Please Me), The Who (My Generation), Kate Bush (The Kick Inside) en Joe Jackson (Look Sharp!) – die het publiek na hun droomdebuten wisten te verbijsteren met fabuleuze albums (Rubber Soul, Who’s Next, Hounds Of Love, Night And Day) ondanks het feit dat publiek juist al op een verrassing wachtte! Hoe kregen ze dat voor elkaar? Het enige wat ik kan bedenken, is dat deze duivelskunstenaars alleen naar zichzelf luisterden en de verwachtingen van anderen volkomen negeerden - en er juist daardoor aan voldeden.

Chris Bernasco geeft hier eens in de maand een bijzondere kijk op popmuziek.