Op het tweede gehoor: Een Meegroeilied

18 september 2019
Een liedje, eenmaal vastgelegd en ter wereld gebracht, blijft steeds hetzelfde. Jijzelf, de luisteraar, verandert wel. Er zijn liedjes die op die manier na verloop van tijd hun bekoring verliezen, andere blijven verbonden aan een bepaalde herinnering. Maar sommige hebben de bijzondere eigenschap dat ze met je mee lijken te groeien. Dat je er elke keer weer iets nieuws in hoort. Bob Dylan’s Going, Going, Gone van Planet Waves (1974) is voor mij zo’n meegroeinummer. Het raakte me als tiener al en dat doet het nu, zo’n vier decennia later, nog steeds. Maar telkens op een andere manier.

In 1978 viste ik als middelbare scholier bij de lokale platenboer een afgeprijsd exemplaar van Planet Waves uit de bakken. Met zo’n knipje (cut-out) erin. Ik kocht hem vooral omdat The Band erop meespeelde, ik was toen nog niet zo’n Dylanfan. Het Canadees-Amerikaanse vijftal had Dylan al in 1966 begeleid tijdens de roemruchte tournee waarop hij ‘elektrisch ging’, en hun unieke samenspel maakt Planet Waves tot een echte bandplaat.

Het album opent voor Dylan’s doen uitermate vrolijk met het uptempo On A Night Like This. Als die klanken zijn weggestorven volgt een slepend, bijna onheilspellend intro. Als de ochtend na een wild dansfeest. Robbie Robertson’s gitaarlicks klinken alsof ze door een samengeknepen strot naar buiten worden geperst. Going, Going, Gone is serious business, dat werd me meteen duidelijk.

En dan komt die eerste zin: I’ve just reached the place where the willow don’t bend. Een van de mooiste beginregels uit de popmuziek. Het beeld dat eruit oprijst, raakt me elke keer weer, en steeds blijft het haken aan iets anders in mijn leven. Als tiener zag ik een desolaat landschap, een boom die niet verder wil buigen voor de wind, een eenzame reiziger die weg wil uit een verstikkende situatie. En ik liet me meevoeren op de duistere klanken.

Later, toen ik als twintiger vastzat in een destructieve relatie, resoneerde vooral de diepere laag: de onmacht en de zoektocht naar een uitweg. Dylan’s stem klinkt in dit lied misschien wel indringender en persoonlijker dan ooit, hij zingt alsof zijn leven ervan afhangt. En misschien was dat ook zo; veel popcritici wezen op de zinsnede I’ve been livin’ on the edge / Now, I’ve just got to go before I get to the ledge. Het lied toonde mij hoe je je uit een kluwen van negatieve krachten – van buiten, maar ook van binnen – kunt bevrijden. Het leek tegen me te zeggen: ‘ergens in jou zit een kern, een levensdrift die niemand je kan afpakken.’ Dylan’s refrein gaf me een zetje: ik ga, ja ik ga, Ik ben weg. Thanks, Bob.

Ik ken Going, Going, Gone al een groot deel van mijn leven, en het lied is steeds opnieuw betekenisvol, vooral in donkere tijden, en steeds op een andere manier. Te vergelijken met een vriend, een vertrouwde reisgenoot die jouw bekommernissen heeft aangehoord en dan, zonder te oordelen of rechtstreekse adviezen te geven, met een verhaal komt waar je iets uit kunt pakken wat je nodig hebt. Mooi hoe de popmuziek dat soort vrienden kan opleveren.

Chris Bernasco geeft hier eens in de maand een bijzondere kijk op popmuziek.