Op het tweede gehoor: gaat popmuziek ten onder aan nostalgie?

19 juni 2019

De toekomst van de popmuziek wordt bedreigd door een toenemende obsessie met zijn eigen verleden. Tenminste als we journalist Simon Reynolds (Londen, 1963) mogen geloven. In zijn boek Retromania; Pop Culture’s Addiction To Its Own Past betoogt de Britse popcriticus in 2011 dat de rock-‘n-roll ten onder dreigt te gaan aan die almaar groeiende nostalgie. Het is een gloedvol en stevig onderbouwd verhaal - maar heeft hij gelijk?

Ik las de flaptekst van Retromania en begon mijn lectuur daarna met enige scepsis. Het Einde der Poptijden is toch niet nabij? Er komt toch nog steeds afwijkende, frisse muziek uit? Er poppen toch nog steeds nieuwe jonge artiesten op? Maar als je Reynolds’ argumenten en voorbeelden tot je neemt – en ondertussen ook af en toe een blik op het poplandschap om je heen werpt – dan valt wel op hoe veelvuldig er tegenwoordig achterom wordt gekeken.

Want hoewel Retromania uitkwam in 2011, is het anno nu waarschijnlijk actueler dan ooit. De reünies, retrospectieven, museumtentoonstellingen en tribute- en retro-acts buitelen bijkans over elkaar heen, ook in ons land. Zo trok mediapersoonlijkheid Johan Derksen de afgelopen jaren met veel succes langs de theaters met ‘de Pioniers van de Nederpop’; tribute-bands als Her Majesty, Queen Forever en The Analogues betonen eer aan respectievelijk CSN&Y, Queen en The Beatles, en dat rijtje is gemakkelijk uit te breiden.

Verder laat Reynolds zien – voor mij een eyeopener – dat de popmuziek door de retrotrends van de afgelopen decennia steeds dichter bij de zich eindeloos herhalende cycli van de mode-industrie is komen te staan - en steeds verder weg van de kunst. En dat programmeurs van popfestivals tegenwoordig vaak ‘curatoren’ genoemd worden – een woord dat voorheen vooral werd geassocieerd met musea - dat zegt ook wel wat.

Toch overtuigt Retromania niet volledig. De Britse popcriticus moet soms de uithoeken van de retromanie opzoeken om zijn stelling kracht bij te zetten. Hij komt dan uit bij excentrieke clubjes van verzamelaars die miskende artiesten uit het recente verleden als een soort Vergeten Groenten van de obscuriteit proberen te redden, zoals het webcollectief Mutant Sounds. Niet echt representatief voor DE popmuziek, dus.

Maar belangrijker is dat het in zijn behoorlijk dikke boek gaandeweg duidelijk wordt dat het vooral Reynolds zelf is die terugverlangt naar de tijd waarin de popmuziek ‘het leven in het absolute nu’ vertegenwoordigde. Dat was toevallig ook de periode waarin hij zelf jong was en met hart en ziel in de popscene opging. En hoewel hij dit zelf beseft, wijst hij die nostalgie in zichzelf evenzeer af als de rock-‘n’-roll-nostalgie om hem heen. Zo wordt Retromania steeds meer een boek over een, weliswaar uitermate herkenbaar, innerlijk conflict.

Retromania roept ondertussen bij de lezer wel interessante vragen op, zoals: waar sta ik zelf als popliefhebber? Accepteer ik de nostalgie, negeer ik het of kom ik ertegen in verzet? Mijn eigen conclusie: het is maar het beste om te accepteren dat de popmuziek inmiddels gewoon volwassen is geworden. En dat volwassenheid niet zo heel erg is. 

En als rijpere popliefhebber ben ik vooral blij met de vrijheid die al die nieuwe en oude muziek biedt, met achteromkijkers én futuristen, met invloeden uit verschillende windstreken en verschillende stromingen. Leven in het absolute nu mag dan iets ongekend enerverends zijn, voor mij heeft het toch meer weg van een gevangenis.

Chris Bernasco geeft hier eens in de maand een bijzondere kijk op popmuziek.