Op het tweede gehoor: The Kinks en Brexit

16 juli 2019

Eind 1965 zat frontman Ray Davies van The Kinks met een groot probleem. Na een Amerikaanse tournee vol trammelant – later wel omschreven als ‘bad management, bad luck & bad behaviour’ – mocht de Britse band vier jaar lang niet meer optreden in de VS. Het land dat in potentie hun grootste afzetmarkt was, en waar concurrenten Beatles, Rolling Stones en Who wél grote successen vierden.

Ray Davies, van nature een observator en commentator, zocht de oplossing dicht bij huis. Hij draaide Amerika de rug toe en richtte de blik naar binnen, dat wil zeggen: op het eigen land. Een paar jaar later culmineerde deze nieuwe Kinks-koers in het conceptalbum The Kinks Are The Village Green Preservation Society.

Met deze ‘ode aan een ongerept en onbedorven Engeland’ gingen The Kinks volledig tegen de tijdgeest in. Best bijzonder. Terwijl andere Britten – net als de rest van West-Europa – na de Tweede Wereldoorlog massaal naar het land van de onbegrensde mogelijkheden keken, zong Ray Davies op Village Green met weemoed over Engeland, over verdwijnende tradities als ‘strawberry jam, Tudor houses, antique tables and billiards’.

Het album verkocht bij verschijning slecht, en het bleef lange tijd een goeddeels vergeten album in het oeuvre van The Kinks. Tot midden jaren 90. In reactie op de overmacht van ‘duistere’ Amerikaanse grungebands als Nirvana en Pearl Jam komt de britpop op, een stroming die nadrukkelijk teruggrijpt op de opgewekte catchy muziek van de eigen artiesten van vroeger. En voor zelfbewuste bands als Blur, Pulp en Oasis vormen The Kinks, ‘the most quintessential English band’, een grote inspiratiebron.

Britpop is tegelijk een uiting van de bredere opleving van het zelfvertrouwen in het VK. Twintig jaar eerder hadden de Britten nog de oplossing voor de eigen economische en maatschappelijke malaise gezocht in toetreding tot de EEG. Die dagen zijn kennelijk voorbij. Sommige historici claimen dat het hernieuwde Britse zelfbewustzijn van die dagen aan de basis staat van de politieke leave-beweging, die zou uitmonden in het aanstaande vertrek van de Britten uit de EU.

En zo kunnen we dus een rechte lijn ontwaren tussen The Kinks en de brexiteers. In beide gevallen zien we een beweging naar het exclusief Britse, in reactie op het handelen van een te dominant geacht ander continent. Met zijn bekering tot ‘het eigene’ zaaide Ray Davies in 1965 in feite de kiem voor een nationaal zelfbewustzijn dat via britpop uitkwam bij de brexit. Of ga ik nu te kort door de bocht?

Volgens Ray Davies zelf waarschijnlijk wel. Hoewel de zanger publiekelijk geen standpunt voor of tegen brexit inneemt, toont hij zich in interviews zeer bezorgd over de radicale stappen die zijn land nu zet. Bovendien doen Davies’ subtiele, vaak ironische teksten inderdaad in weinig denken aan het zelfingenomen gebral van een Nigel Farage of een Boris Johnson.

Ik vermoed dat ‘het essentieel Engelse’ van Davies uiteindelijk weinig met chauvinisme te maken heeft. Hij is geen demagoog en ook geen xenofoob, maar vooral een onverbeterlijke homo nostalgicus. Toen de zanger na een jarenlang verblijf in de VS een paar jaar geleden weer in Londen ging wonen, maakte hij prompt twee nieuwe albums, getiteld Americana en Our Country (Americana act II), gevuld met weemoedig-satirische liedjes over het uitgestrekte land aan de overkant van de plas.

Het zou me niets verbazen als Ray Davies – ook al telt hij inmiddels 75 lentes – straks na de brexit weer met een plaat op de proppen komt, en ik durf zelfs te wedden over welk continent die dan zal gaan.

Chris Bernasco geeft hier eens in de maand een bijzondere kijk op popmuziek.