Ray Bonneville: gevoelige snaren

5 december 2013

Ray Bonneville was hier. Ik neem het u niet kwalijk dat u hem heeft gemist de afgelopen week. Alleen de hardcore fans wisten de kleine podia te vinden en een enkele verdwaalde concertganger. Als ik niet was gevraagd hem voor Heaven te interviewen, was hij mij ook ontgaan. Nu ben ik Ray-fan.

Dat kan niet anders. Ray Bonneville (63) is de charmantste rock ’n’ rollveteraan die ik de laatste jaren heb onmoet. Even overwoog ik rock ’n’ rollopa te schrijven, maar dat is niet het juiste woord. Je zou hem wel als opa willen hebben.

Ray Bonneville is geboren in Franstalig Canada en opgegroeid in Boston. Typisch een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Als onhandelbare puber van school gestuurd, als GI in Vietnam gediend (“De angstigste dertien maanden uit mijn leven.”), de kost verdiend als magazijnmedewerker, taxichauffeur en wat al niet. Hij was vliegenier toen hij twintig jaar geleden besloot zich te gaan richten op de muziek. “Als ik was blijven vliegen, had ik dat met mijn roekeloze manier van doen niet overleefd”, grijnst hij.

In de muziek heeft hij rust gevonden. Nou ja rust, hij is nog steeds maanden van huis, in zijn eentje, met zijn gitaar en een koffer met twaalf mondharmonica’s, twee ritmeplankjes waarop hij met zijn voeten het ritme aangeeft, en cd’s die hij tijdens zijn concerten verkoopt. Slapend in goedkope hotels en bij wie hem een slaapplek aanbiedt. “Ik voel me aangetrokken tot de mensen in schaduw”, zegt hij. Zijn liedjes gaan over drop outs en eenzame zielen. Things are said and tears got cried. Dat soort dingen. Stilistisch gezien begeeft zijn muziek zich tussen die van Townes Van Zandt, David Olney en Daniel Lanois. Zijn jongste album Bad Man’s Blood is een bescheiden meesterwerkje.

We praten over kinderen. Hij heeft er geen – heeft zich nooit willen binden. Always on the run. “Toch”, zegt ie, “hoop ik dat er op een dag iemand bij me aanbelt en zegt: hallo pap.” Ik zie dat hij het meent, de oude rebel.

Zie voor het tourschema