Vreemdgaan met Patti Smith

27 oktober 2015

Ik was afgelopen zaterdag naar het Utrechtste TivoliVredenburg gekomen voor mijn periodieke portie Americana. Het programma van Ramblin’ Roots beloofde met Jimmy LaFave, Sam Baker, Gretchen Peters, Sonny Landreth en Eilen Jewell weer een louterende ervaring te worden. Incidenteel kent zo’n festival enige luchthartigheid, bijvoorbeeld met de immer goedgeluimde Gregory Page, maar voor de rest draait het om de smarten van het bestaan. Je moet ervoor in de stemming zijn, dat wel. Maar wie wil luisteren, hoort veel moois. Klein gehouden emoties worden er breed uitgemeten. Andermans kommer en kwel, ik kan er geen genoeg van krijgen. En met mij zo’n tweeduizend anderen, want zo veel bezoekers telde deze tweede editie.

Toch wilde ik er zaterdagavond niet goed in komen. Ik had namelijk weet van de aanwezigheid van Patti Smith elders in het mastodontische muziekpaleis. Zou deze levende legende, die ik een paar jaar terug wat bleekjes op Bospop had zien optreden, het nog kunnen? Bijna 69 is ze inmiddels. De nieuwsgierigheid bleef me op de hielen zitten. Dan maar vreemdgaan. Soms heeft een mens nu eenmaal geen keus. Een groter verschil met de ingetogenheid van de welluidend zingende troubadour Jimmy LaFave was amper denkbaar. The Godmother of Punk bracht een intense ode aan de gezamenlijkheid. Power to the People. De maatschappij stond op het spel. Er moesten zielen worden gered in deze eredienst. Een vrouw met een missie, nog steeds.

Patti Smith was in Europa neergestreken om er het veertigjarig jubileum van haar onvolprezen debuut Horses te vieren. Het album werd integraal uitgevoerd met een bonafide band, bestaande uit oudgedienden Lenny Kaye op gitaar en Jay Dee Daugherty achter de drums, toetsenist/bassist van het latere uur Tony Shanahan, bassist/gitarist Jack Petruzzelli en zoon Jackson Smith op gitaar. Al vanaf haar opkomst had ze de stijf uitverkochte Ronda in de zak van haar mannencolbert. Door te beginnen met het declameren van een gedicht dwong ze het publiek tot stille oplettendheid. Dan de muzikale aftrap: Gloria, haar drastische bewerking van de Them-klassieker. Fist in the air and spitting on the floor. Van haar charme of uiterlijk moet Patti Smith het duidelijk niet hebben. Ze overtuigt op inhoud en energie. Ze zong als in haar gloriedagen. Met haar coupeloze, ijzergrijze coiffure en tanige lichaam oogde ze op sommige momenten als de tweelingzus van Iggy Pop.

Van Elegie, de afsluiter van Horses, maakte ze een ontroerend requiem voor een lange rij ontvallen kunstbroeders, onder wie Jimi Hendrix, Jim Morrison, William Burroughs, Johnny Thunders, Joey Ramone, Kurt Cobain, Lou Reed, gewezen geliefde Robert Mappelthorpe en, uiteraard, Fred ‘Sonic’ Smith, de liefde van haar leven. Bij elke naam die ze plechtstatig noemde applaudiseerde het publiek. Zelfs de doden werden hier wakker geschud. Veertig jaar na dato klonk de muziek nog springlevend. Wat overigens niet gold voor het uitstapje van de band: een hommage aan The Velvet Underground in de vorm van een slappe potpourri.

Het werd dus een aparte zaterdag in TivoliVredenburg. Twee culturen onder één dak. Individualiteit versus het collectief. Wanhoop tegenover een geloof in de kracht van de massa. Episch of lyrisch. Kortom, mens of maatschappij. Ik begon bij de weemoed van Jimmy LaFave, gaf me over aan de visionaire en geëngageerde rock van Patti Smith en eindigde met de opgeruimde barbershop songs van Pokey LaFarge en het leed van Gretchen Peters. Maar al met al was het de avond van Patti Smith. Ze pakte me en liet me niet meer los, sterker nog, zij ging met mij op de loop.