Wilco in Chicago

1 januari 2020

In Chicago Wilco zien. Dat is zoiets als Springsteen in de Stone Pony van Asbury Park live ervaren. Of De Dijk in Amsterdam. Een artiest in zijn natuurlijke habitat, dit soort gedachten speelden mee toen ik op 19 december het Chicago Theatre binnenstapte voor wat frontman Jeff Tweedy een dag eerder hun ‘laatste show van het decennium’ had genoemd. De band eindigt, min of meer, traditioneel hun muzikaal jaar in the Windy City. Ik bezocht de laatste avond van hun in totaal vier zogenaamde Winterlude shows. Soms staan ruimte en tijd een historische sensatie niet in de weg, zo leek het. Alles klopte. Vooral het voorprogramma.

De venue lijkt wel een begin twintigste eeuwse replica van Versailles. Een plek waar artiesten van het kaliber Frank Sinatra goed tot hun recht zouden komen. Bordeel-chique-Gross Stadt- allure met een snufje Disney. Sinatra trad er inderdaad ooit op, zo las ik, evenals Duke Ellington, Prince en tegenwoordig bands als Tedeschi Trucks Band. Er gaan 3600 mensen in, die wel in het steeds verder uitdijende Amerika, verdomd krap zitten. Maar het geluid is perfect en je kunt popcorn mee naar binnen nemen.

Rond half acht betrad een schriel ogende jonge vrouw het podium. Ze voelde zich kwetsbaar, zei ze na een eerste liedje dat volgens haar niet goed uit de verf was gekomen. Ook speelde ze op een geleende gitaar hetgeen goed te horen was want de akkoordwisselingen verliepen houterig.  Was hier een beginneling aan het werk?

Bij het tweede liedje was ze haar tekst vergeten. Ze begon opnieuw. Een bemoedigend applaus klonk op uit de langzaam volstromende zaal. Nooit eerder was ik echter zo bij de les als bij dit gestuntel. Die stem zei me iets. En die liedjes kwamen me ergens bekend voor. Ik vond het fantastisch. De schoonheid van het gebrekkige. En wat een charme had die vrouw. Haar zelfbenoemde kwetsbaarheid werd een onweerstaanbare kracht. Ik wilde die vrouw in mijn armen nemen, haar bescherming geven. En ik was niet de enige want er klonk een steeds krachtiger applaus. “Hello I am Sharon van Etten”, zegt ze opeens. Verrek, die had ik in mijn jaarlijst van 2019 gezet met het prachtige album Remind Me Tomorrow. En ook de voorganger Are We There met het prijsnummer Everytime The Sun Comes Up vond ik zeer te pruimen.

Naast me bleef een plek onbezet. Mijn begeleider was plotseling ziek geworden. Ergens tegen het eind van het voorprogramma ging een iets oudere heer opstaan en riep met een niet mis te verstane stem: “You are doing a good job.” “Thank you dad”, zei de zangeres. Vader Van Etten was mijn buurman. Dat hij Nederlandse voorouders had kwam ik snel te weten. En ik vertelde hem dat ik zijn dochter op een jaarlijst van Heaven had gezet – méér is onhaalbaar. Met een wederzijds gevoel van gelukzaligheid werd ik aan zijn dochter voorgesteld. Ze nam naast mij plaats. Er was een plek vrij. Wat was ik blij dat mijn kompaan ziek was.

De show van Wilco werd uitgezonden op de radio. Een gelikte show waarin ze nummers van hun goed ontvangen album Ode To Joy afwisselden met het ijzeren repertoire uit hun vijfentwintigjarige loopbaan. Wilco toonde zich als een perfect geoliede muzikale machinerie. Maar verrassend was het niet. Degelijk. Vlak voor het eind van de achtentwintig nummers tellende show ging mijn buurvrouw naar voren om samen met Wilco Happy Xmas (War is Over) van John Lennon en Yoko Ono te zingen. “I’ll be back”, zei ze. Nog voor het refrein welden mijn tranen op. Niet om wat ik had meegemaakt, maar omwille van de persoon die dit eigenlijk had moeten meemaken: Geert Henderickx, mijn overleden mentor en steunpilaar en de man die de kwaliteit van Wilco al heel vroeg had herkend en dit steeds in vlammende stukken wist uit te dragen. Hij zou het geweldig hebben gevonden. Maar misschien was hij er wel bij deze avond. Want wie verzint nu zoiets? Sharon kwam terug. Een muzikale sensatie rijker liep ik in mijn eentje zielsgelukkig de platenhoes van Wilco’s Yankee Hotel Foxtrot in. De werkelijkheid is soms vreemder dan fictie.